VUUR & BLOED - hoofdstuk 1

400 6 2
                                    

HOOFDSTUK 1

‘Misschien moeten we…’

‘Houd je bek, Ravyn,’ siste Ilaisar giftig terwijl hij de pees van zijn kruisboog naar achteren trok en een nieuwe pijl op het wapen plaatste. ‘Anders laat ik Pyra je hoofd afhakken.’ De toon in zijn stem verraadde niet hoe serieus hij was, maar Ravyn besefte maar al te goed dat je de jonge edelman niet in het harnas moest jagen. Hoe hard hij ook zijn best deed hem te overtuigen, het lukte maar niet. Elke keer weer voelde hij zijn idealen onder zijn eigen voetstappen verpulveren. Elke ochtend werd hij wakker met meer haat en agressie in zijn bloed. Ilaisar leek daar geen last van te hebben. Die zorgde dat hij goed voorbereid klaar zou staan.

            Met een schuin oog keek de jonge edelman, gekleed en zwart, Ilaisar genaamd naar het meisje dat verderop achter een rots verborgen zat. Ze zat op haar hurken en de frons op haar gezicht verraadde dat ze zich concentreerde. Haar haarkleur was op een onnatuurlijke kleur rood en leek, ondanks de stromende regen die op hen neerkletterde, over haar hoofd te dansen. Dunne slierten stoom stegen op van haar hoofd en naakte huid en vormden een gloeiende halo rond haar hoofd. Ravyn slikte hoorbaar naast hem en verstevigde de grip op zijn zwaarden. Hij leek nerveus. We moeten hem zien te lozen, dacht Ilaisar verbitterd. Hij beperkt onze mogelijkheden. Hoewel hij het niet toonde, rolde hij met zijn ogen terwijl Ravyn zich naar een van de andere wende om zijn bezwaar nogmaals kenbaar te maken. Hierbij hipte hij een beetje van het ene been op de andere. Zenuwpees.

            Ilaisar daarentegen, was de rust zelve. Hij wendde zijn blik af van zijn collega en wierp een blik op het schouwspel dat zich slechts enkele meters onder hen afspeelde. Het was een bloedbad. Slechts drie engelen stonden nog overeind, terwijl ze omsingeld werden door wezens uit de diepte van de hel en tot aan hun enkels in het bloed stonden. Even was het ijzig stil, totdat het gevecht zich weer hervatte en de engelen met hun zwaarden van glas op de demonen begonnen in te hakken. Het was zij of hen. Eten of gegeten worden. Ze vormden een ingewikkelde dans met flitsende zwaarden, terwijl de gevallen strijders aan beide kanten vertrapt werden alsof hun lichaam niks meer betekende.

            ‘Laat niemand over,’ gaf Ilaisar via de mentale link door aan de anderen. Hij spanden zijn spieren om in actie te komen. Hij ademde even diep in en uit om de eventuele spanning los te laten.

            Kersel, die net als Pyra ergens verdekt stond opgesteld, knikte ter bevestiging. Zijn halflange donkere haar was losgeraakt uit het leren bandje en stond – ondanks het hondenweer – rechtovereind door een betovering. Bij de punten knetterde het van de magie, die in kleine bliksemschichtjes over zijn hoofd schoten. Hij grijnsde even. Het was afschrikwekkend demonisch, zelfs voor Ilaisars doen.

            Toen doken ze met zijn vieren, als ware doodsengelen, richting het slagveld. Pyra was een waas van zwart en rood, terwijl haar intimiderende zeis koppen van rompen sloeg en harnassen doorkliefde alsof het boter was. Ilaisar doorboorden ogen en het zachte vlees van kelen, genietend van het opspattende bloed. Kersel zette vrienden tegen elkaar op en Ravyn danste in het rond als een wind van staal. Slechts een halve minuut later was het stil in de kleine vallei. Enkel de regen die op de aarde beukte was hoorbaar. Langzaam doofde alle magie uit en kreeg het bloed eindelijk de tijd om opgezogen te worden door de aarde.

Tevreden veegde Ilaisar zijn morgenster schoon, die hij halverwege het gevecht tevoorschijn had getrokken om iemands hoofd mee in te slaan. Aan de vlijmscherpe punten kleefde bloed, bot en brein. Er zat een kleine snee op zijn wang, waar een glaszwaard hem aangeraakt had. Een enkele druppel bloed liep als een traan over zijn gezicht naar beneden, scherp afstekend tegen zijn witte huid.

            ‘Verbrand de doden,’ zei hij tegen Pyra in het bijzonder, die opkeek en haar zeis uit de rug van een demon trok. Ze wierp hem een sarcastische blik toe.

            ‘Met dit weer? Ik kan niet toveren!’ riep ze uit. Dit was natuurlijk een leugen, want het vuur dat zij liet branden werd niet door regen gedoofd. ‘Ja, ja. Maak er maar een stapel van, dan,’ mopperde ze. Ze hing de zeis op haar rug en trok haar handschoenen uit, die doorweekt waren door regen en bloed.

Het stel verliet de vallei terwijl dikke, donkere rookwolken de hemel zwarter dan zwart kleurden. De lijken niets meer dan verkoolde hoopjes.

VUUR & BLOEDWaar verhalen tot leven komen. Ontdek het nu