Proloog

63 2 2
                                        

Nacht, is het moment waarin de duisternis zichzelf ontluikt, zich loom uitstrekkend als een kat die net uit zijn slaapje is ontwaakt. De duisternis die de stad omringt als een warme, donkere en zachte deken. Een deken die mensen verleid om naar huis te gaan, te gaan slapen, te rusten, om veilig te zijn. Knus en warm ingedompeld in de loomte van de nacht. Maar het is echter ook de nacht wanneer de gevaren zullen ontwaken, de lugubere zaken worden gesloten en wanneer er moorden worden gepleegd. Alsof ze weten dat enkel diep, diep verborgen in de schaduwen, jouw ware gedachten en echte gevoelens tevoorschijn komen. Alsof de duisternis weet wie bij hem thuishoort, wie zich in hem wil laten verdrinken. Ook deze nacht is de duisternis weer aanwezig. Kijkend naar zijn onderdanen, hun aansporend om hun diepste en duisterste verlangens te volgen.

Emmammeline's hand trilt zachtjes gelijk het pulserende ritme van de hartslag van een klein vogeltje dat in de bek van de kat gevangen zit, wachtend op zijn genadeslag, verlangend naar de verlossing van de dood. Haar hand trilt maar dat belemmert haar niet om in haar witte nachtjapon, met wilde en verstrooide haren, de deurklink van haar kamer omlaag te duwen. Om de eerste stap te zetten, naar het onbekende. Het licht van haar lantaarn weerkaatst haar schaduw op de muur, in deze schemering is het onduidelijk te zien of de schaduw wel degelijk van haar is. Maar Emmameline heeft geen belangstelling voor de ander wereldse, ze weet nauwelijks of ze geïnteresseerd is in deze wereld. De deurklink is gemaakt uit een oude koper, volgens de legendes dient dit om de demonen 's nachts uit je huis te houden. Echter is het enige wat Emmameline zeker weet , dat elke keer wanneer ze de klink gebruikt groene en stinkende vingers krijgt. Net zoals deze keer, misschien wel de laatste keer dat ze deze klink gebruikt , weet ze. Emmameline voelt de nerven van de koper in haar hand prikken wanneer ze de klink zachtjes naar beneden duwt, het doet lichtjes pijn. Inmiddels heeft ze al van de pijn leren genieten, de kick, de lichte ijzer-achtige geur die het vaak met zich meebrengt. De macht die pijn kan geven. Staand in de hal van haar huis, ademt ze voor de laatste keer de weeïge geur in van deze plaats. En vertrekt ze naar de kamer van haar ouders, eenmaal wanneer ze langs de afgetakelde familieportretten passeert, versterkt het gevoel dat ze weet dat ze het juiste doet, dat er vanaf hier geen weg meer terug is voor haar. Het hout van de vloer kraakt zachtjes onder haar blote voeten, maar ze is niet bang dat haar ouders wakker worden. Dat is het voordeel van in een oud huis te wonen. Het leeft, ademt, het vertelt een verhaal dat alleen de geesten kunnen horen. Een verhaal over verlies en verdriet, een symfonie op zichzelf maar men hoort alleen zijn gekraakt en gepuf, ze vindt het jammer dat niemand de vloek zal horen dat het huis momenteel op de de huidige bewoners uitspreekt. Emmameline weet dat het huis haar niet zal verraden, dat hij net zo dorstig voor moord is als haar, dat hij vindt dat de mensen die zijn rozentuin hebben verwoest en zijn kamers hebben bedoezelt met oneer onder de grond horen te liggen. Dus nee, ze is niet bang voor het gekraak dat ze maakt, integendeel ze voelt zich juist gesteund. Voelt de warme adem van het huis over haar heen stromen, voelt hem haar beschermen.

Bescherming of niet, zij zal toch de daad moeten plegen. En nu, terwijl ze door de gang sluipt steeds dichter bij haar eindpunt, voelt ze de welbefaamde angst, eerst zachtjes en langzaam door haar heen sijpelen, als regen dat zich door de aarde dringt. Maar naarmate ze dichter bij de slaapkamer van haar ouders komt, klopt haar hart zo snel, dat ze nog enkel het geruis van haar eigen bloed door haar oren kan horen. Ze ademt diep in en uit, en zet zich schrap. Ze weet wat haar staat te doen wanneer ze voor de donkere houten deur staat. Ze opent tergend langzaam de deur zodat hij niet kraakt. Onhoorbaar voor mensen oren sluipt ze de kamer van haar boosdoeners in. Gal kruipt omhoog uit haar keel. Te angstig en te doelgericht om het door te slikken loopt het donkergroene vloeistof zachtjes uit haar licht geopende lippen op haar nachtjapon. lichtjes hijgend en met zwaar trillende handen pakt ze haar kleine dolkje, dat ze op haar tiende verjaardag met hulp van het huis heeft gevonden in haar opa's grafkist, uit haar dolkhouder die om haar been vastgebonden zit. De dolk voelt zwaar en vertrouwd aan in haar handen, alsof het huis een deel van zichzelf in de dolk heeft gestopt, voor hij het aan haar gaf.

Het spiegelachtige oppervlak van de dolk weerkaatst in het maanlicht, Emmamelines ogen worden meteen getrokken naar de lemmet. Ze kan haarzelf niet bedwingen om niet te kijken, naar wat haar is aangedaan. Weerzin welt meteen in haar op wanneer ze haar gehavende rechteroog aanschouwt, ze heeft een litteken voor het leven. Aarzelend raakt ze het rode en gezwollen vlees rond haar oog aan, ze drukt er zachtjes op en groen-gele pus vloeit weg uit het ontstoken vlees, geleidelijk stroomt de pus naar haar vingers. Ze kijkt ernaar en brengt haar hand naar haar gezicht en ruikt eraan, het geeft een zure en weeïge geur af. Een gedachte springt lukraak in haar hoofd dat dit niet de pus van haar ontstoken oog is, maar de verrotting van haar ziel en lichaam. Dat haar oog enkel een uitweg is van al het kwade dat in haar huist, dat ze zo verdorven was geworden dat haar slechtheid uit haar oog moest barsten. Maar ze weet beter, dit is haar aangedaan en niet plotseling ontstaan. Met een licht drukkende pijn op haar oog, steekt ze haar met pus besmuikte vingers in haar mond. Grijpt voor de laatste keer het heft van haar dolk extra stevig vast, en zet zich schrap.

Want gedane zaken nemen geen keer, en dat weet Emmameline maar al te goed, wanneer ze naar het bed van haar ouders sluipt

The shadows infernoWo Geschichten leben. Entdecke jetzt