Proloog
Edinburgh, Schotland, 7 december 1590
Twee paar zware voetstappen klonken dof op de stenen vloer. Het geluid echode door het kille vertrek waarin zij zich bevond. Het waren twee mannen die de wenteltrap afliepen, ze herkende ze aan hun zware stemmen en hun bulderende lachen. Zelf zat ze roerloos in de achterste hoek van haar tijdelijke huis; een celruimte van amper vier bij vier. Haar cel bevond zich te midden van tientallen anderen identieke celruimtes, die een onmisbaar onderdeel vormden van de kerkers van Palace of Holyroodhouse; de officiële verblijfplaats van de koning en koningin van Schotland.
Het geluid van ijzer dat over ijzer gleed kwam met elke naderende voetstap dichterbij en ook dat geluid herkende ze meteen. Ze had het de afgelopen dagen vaker gehoord dan haar lief was geweest; op haar eerste dag in de kerkers was het een hoopvol geluid geweest, maar inmiddels wist ze beter. Het geluid had niets met hoop te maken had – hooguit met hoop dat vervloog. Het geluid had te maken met een eindeloze marteling, zowel geestelijk als lichamelijk.
'Opstaan,' zei een zware stem bruusk vanuit de schaduw aan de andere kant van de spijlen. De voetstappen hielden hun pas in en het bleef doodstil. Ze kon enkel het raspende geluid van zijn ademhaling horen, terwijl hij ongeduldig wachtte tot ze zou doen wat hij van haar gevraagd had; een gemakkelijke taak maar iets wat zij, koppig als ze was, weigerde uit te voeren. Ze wist namelijk als geen ander wat haar te wachten stond als ze wél gehoorzaamde aan de bevelen van de afgevaardigde van de koning. En daarom deed ze, in plaats van de wachter braaf te gehoorzamen, niets anders dan giechelen. Hysterisch giechelen.
'Was hij niet duidelijk? Opstaan, nu!' bromde een diepe, tweede stem uitdagend; vanuit de schaduwen voelde ze de blikken van de twee afgevaardigden op haar huid branden en ze wist dat de mannen haar vanaf nu geen enkele seconde meer uit het oog zouden verliezen; in elk geval niet voor de komende uren. 'Laat ons het niet nogmaals zeggen, heks!'
Ze giechelde nog steeds uitbundig en liet haar gezicht omlaag hangen, waardoor haar asblonde, onverzorgde haar als een vettig gordijn vol klitten voor haar uitgemergelde gezicht viel en een onheilspellende schaduw het gros van haar gelaatstrekken verborg. Ze liet haar handen rusten op de vervuilde jurk, vol modderige en bloederige vegen, die ze droeg; met haar handpalmen omhoog gedraaid, alsof ze hen bestudeerde.
Vanuit de duisternis verscheen een perkamentachtige hand, wiens vingers zich stevig om het ijskoude ijzer klemden. Het was dezelfde hand als waarin een enorme sleutelring werd vastgehouden. Aan die ring hingen tientallen sleutels, elk voor een andere celdeur. Het gerammel van precies diezelfde sleutelring was op haar eerste dag dat hoopvolle geluid geweest. Toen hadden de soldaten op dezelfde manier tegenover haar gestaan en haar met een vriendelijke lach om hun mondhoeken verzekerd dat ze enkel was afgevoerd en opgesloten voor een onschuldig verhoor. Toen ze haar cel voor het eerst hadden geopend, hadden ze haar beloofd dat het vanzelf wel weer los zou lopen. Alleen, wat ze op dat moment verzwegen hadden waren de details van dat ''onschuldig'' verhoor. Ze waren haar vergeten te vertellen over de martelkamer en de enorme hoeveelheid martelwerktuigen die zich daarbinnen bevonden. Inmiddels was het grootste gedeelte daarvan tegen haar gebruikt; in een poging om haar aan het praten te krijgen en ervoor te zorgen dat ze haar diepste geheimen zou openbaren en, net als haar voorgangers, anderen zou beschuldigen van het uitvoeren van dezelfde daad als waarvoor zij was opgepakt: het samenzweren tegen de koning en het willen plegen van een aanslag op zowel hem, als op zijn gloednieuwe vrouw, Anne of Denmark.
'Doe wat je gevraagd wordt,' zei de wachter met de zware stem en zijn voeten schuifelden naar voren, zodat zijn gelaatstrekken tussen de spijlen door zichtbaar werden. Zijn donkergrijze haren en walrussnor kwamen uit de duisternis tevoorschijn en hij keek haar met een doordringende blik in zijn ijsblauwe ogen aan. 'We hebben genoeg van je spelletjes.'
YOU ARE READING
De Kracht van de Duistere Magiër
FantasyGebaseerd op de heksenvervolgingen in Schotland Het is het jaar 1591. Op verzoek van de koning reist de jager Alistair MacKenzie af naar Edinburgh, waar blijkt dat hij is uitgenodigd met een speciale reden: de koning geeft Alistair namelijk de taak...
