Elke dag. Elke dag opnieuw word ik wakker door een ondraaglijke pijn in mijn handpalm. Het gevoel alsof ik door duizenden messen word geraakt. De nacht brengt alleen maar pijn met zich mee. Het enige wat mij doet uitkijken naar de avond is hem. Naast de immense pijn, krijg ik elke dag dezelfde droom waarin ik een jongen zie, ongeveer even oud als mij, met lang krullend haar, slordig opgestoken in een dotje. Hij heeft grote grijze ogen, die mij beangstigend aankijken en net onder zijn oog zit een vlekje. Geen moedervlek, maar eerder de omlijning van een cirkel met daar rond nog een halve. Hij is gekleed zoals een soldaat zich zou kleden en we worden omringd door vechtende mensen die juist hetzelfde gekleed zijn. Maar hij vecht niet, de enige van de kamer die niet vecht. Bedeesd en ongerust kijkt hij elke keer weer de kamer rond alsof hij opzoek is naar iets, bedenkt zich dan en draait zich weer om naar mij. Hij let op elke beweging die ik maak en volgt mijn ogen met de zijne. Nadat dit gebeurd is, word ik wakker maar meer kom ik niet te weten over deze donker kamer met de mysterieuze jongen.
Ik verliet mijn bed na de heerlijke geur van verse broodjes te hebben geroken. Elke woensdag ochtend was mijn mama in de weer om een lekker ontbijt op tafel te kunnen zetten. Vandaag waren het broodjes, die ik samen met mijn broer en mama opat. Mijn vader zat al vier jaar lang niet meer bij ons aan tafel, maar we hielden nog steeds een plaatsje voor hem vrij.
'Dainayla' riep mijn moeder vanuit de keuken. 'Noah heeft juist gebeld, hij heeft laten weten dat hij vandaag niet naar school komt.' Noah, mijn beste vriend, een knappe jongen die altijd in het middelpunt van de belangstelling staat. Hij is bestempeld als één van de populaire van onze school, wat ik wel snap. Met zijn donker zwarte haren en diepblauwe ogen trekt hij de aandacht van alle meisjes. En dan heb je mij, Dainayla, een klein dun meisje met meer haar dan een hoofd kan dragen, met weelderige krullen die nooit te temmen zijn en met een bril - die ik sinds dit jaar heb omgeruild in lenzen.
Vandaag nam ik de bus alleen naar school aangezien Noah er niet bij was. Om de tijd de doden haalde ik mijn telefoon te voorschijn waar een bericht van hem op me wachtte.
'Hey, ik mis je, ik kom gauw weer terug' stond er te lezen.
Ik wou hem vertellen over mijn droom, ik wou iemand bij mij die me begreep - want hij was de enige die mij niet gek begon te vinden. Toen ik eindelijk besloten had wat ik ging antwoorden werd ik door een tik op mijn schouder tegen gehouden. Ik keek op en bewonderde de prachtige grijze ogen die in de mijnen keken.
'Je hebt iets laten vallen denk ik'. Zijn stem klonk als engelen in mijn oren en oh zo herkenbaar.
Ik keek op de grond om de verloren pen, die uit mijn boekentas was gerold, op te rapen.
'Be-bedankt', stamelde ik uit.
Wanneer ik eindelijk weer durfde opkijken, wou ik dat ik dat niet had gedaan. Ik werd gek. De jongen met de engelenstem was hem, de jongen uit mijn dromen. Voorzichtig, beter dan een spion zou kunnen, griste ik mijn telefoon uit mijn schoot en opende de camera.
Alles ging goed, de camera was al naar hem gericht en hij had nog steeds niets in de gaten, ik nam een goede houding aan zodat hij beter zichtbaar was en drukte op de knop. Toen gebeurde het, de flits ging af. Uit het niets. De mysterieuze jongen keerde zich naar mij toe en lachte een prachtige lach. Hij had het soort lach dat je kon herkennen zelfs als je wat verder van hem verwijderd was. Een lach, die echt gelukkig leek. Langs zijn gezicht vielen plukjes haar die te klein waren voor het dotje en er groeide een baardje dat zijn kin lichtjes bedekte. Onze blikken werden onderbroken door de schok waarmee de bus tot stilstand kwam. Zo ging het elke ochtend. De bus die mij, en zovele anderen, naar school bracht, heeft zijn beste dag al lang gehad. Een klein, beschadigd busjes dat moeite had om zijn bestemming te bereiken.
De uren kropen voorbij en het leek alsof deze dag al eeuwig duurde. Als Noah bij mij was, waren er wel eens mensen die iets zeiden tegen mij terwijl ze met Noah praatte, maar zonder hem verdween ik tussen de mensenmassa.
Het was moeilijk om mijn aandacht erbij te houden tijdens de lessen en ik dommelde dan ook snel in slaap. Toen de bel het einde van de dag aankondigde, verliet ik als eerste het lokaal, strompelde door de hallen en verdween naar huis.
De kleine weg die ik nog moest afleggen, van de bushalte naar mijn huis, voelde langer aan dan de dag op school. Ook al waren de straten verlaten, toch leek het alsof ik in de gaten werd gehouden. Ik had het gevoel dat ieder moment iemand uit de struiken zou springen en mij zou aanvallen. Om mijn gedachten te verzetten, stak ik mijn oortjes in en koos mijn favoriete muziek. Maar net op dat moment zag ik een vage schim verschijnen, die wegvluchtte wanneer ik zijn ogen had gevonden. Grijsachtige ogen. De wereld leek even te verdwijnen, maar ik werd al snel gewekt door een hevige pijn die door mijn rechter handpalm schoot. Dezelfde hand, die mij elke ochtend immens veel pijn gaf. Alleen voelde ik nu tien keer zoveel pijn.
Ons huis, of eerder huisje, is heel makkelijk om te herkennen. Het is het laatste huisje van heel de straat en ook het opvallendste. Mijn mama is kunstenares en is helemaal weg van de abstracte kunst, wat ook duidelijk aan ons huis te zien is. Blauwe deuren en een tuin vol met de kleurrijkste bloemen, zijn ons handelsmerk. Binnen word je aangekeken door duizenden ogen die te vinden zijn op vele foto's verspreid door heel het huis. Ook zit, Aiko, onze vijf maanden oude pup je al op te wachten. Een klein, knus huisje waar ik graag vertoef.
Eenmaal aangekomen in ons huis, zonderde ik mij af en ging direct naar mijn kamer. Alles wat er tot nu toe was gebeurd, is onwerkelijk. Hoe kan het nu dat ik de jongen van mijn dromen in het echt zie. Hoe kan het dat ik hem alleen al door zijn ogen herken. Die schitterende ogen. En was hij mij soms aan het volgen? Zoveel vragen spookten door mijn hoofd, maar de antwoorden bleven ver weg.
De nacht naderde weer en ik keek er helemaal niet naar uit. Het betekende alleen nog maar meer vragen en meer pijn. Ik sprak mezelf goede moed toe terwijl ik in bed stapte en deed daarna het licht van de kamer uit. Na uren wakker gelegen te hebben kon ik de slaap nog steeds niet vatten. Normaal slaap ik al een roosje. Ik zag langzaamaan de uren voorbij gaan op de digitale klok die zich op mijn nachtkastje bevond. Als ik niet slaap, heb ik misschien ook geen pijn, dacht ik bij mezelf. Maar dan zie ik hem ook niet.
Na een tijdje zou ik in slaap moeten gevallen zijn want ik werd drie uur later, vreselijk moe, wakker. Het was niet de wekker, niet mijn moeder noch de pijn in mijn hand die mij wekte, maar de jongen. Nu verscheen hij niet zomaar in een droom, het leek eerder alsof hij ook echt in mijn kamer stond en mij waarschuwde voor iets. In plaats van het dotje en de vechtkleding die ik gewoon was van mijn dromen, omlijnde nu de losse haren zijn gezicht en droeg hij normale kleding. Verbaasd door zijn aanwezigheid sprong ik recht.
'Wat doe jij hier?' Probeerde ik zo normaal mogelijk te vragen. Maar een antwoord volgde niet.
Hij nam mijn arm beet en vulde mijn hand met de zijne. Onmiddellijk schoot er een hevige pijn door niet alleen mijn hand maar door heel mijn lichaam. Door deze pijn zag ik nauwelijks dat het teken, onder zijn oog, felrood kleurde. Toen zou ik de slaap moeten gevonden hebben, want meer herinnerde ik mij niet meer van deze vreemde nacht.
Ik werd wakker met een vreemd gevoel in mijn lichaam. En toen zag ik het. In mijn handpalm schitterde hetzelfde teken als de jongen onder zijn oog meedraagt. De cirkel met een halve er rond.
Dit was het allereerste hoofdstuk. Ik hoop dat jullie het leuk vonden en aarzel niet om je mening te geven! :)
YOU ARE READING
De cirkel
General FictionDainayla had een rustig leven, maar dit alles veranderde wanneer een raar teken op haar handpalm verscheen. Wat nu? En wat als de mysterieuze jongen meer weet.
