hoofdstuk 01

78 12 5
                                        

.Trust No One.
Er zijn tunnels, er zijn overal tunnels. Ik werd wakker in, ik denk, het riool. De uitweg is alleen een beetje moeilijk te vinden. De man die me volgde heb ik afgeschud, geloof ik. Zou hij me hierheen hebben gebracht? Ik ben helaas niet zonder vallen van de man afgekomen, stomme waterleidingen. Het is hier ook gewoon pikdonker.

Nog steeds loop ik verdwaald, niet wetend waar ik ben, rond. De man heb ik niet meer gezien. Mijn wonden, van de val, branden door het vuile water en mijn hoofd bonkt door de stank die hier hangt. In de verte is een schim. Voorzichtig stap ik achteruit, ik wil niet nog eens vallen. De schim blijken schimmen te zijn, met honden en touwen. Ik wandel naar ze toe om ze beter te bekijken. Ik schuil achter muurtjes. Redding, eindelijk. De mannen krijgen mij in het oog, en ze kijken me verbaasd aan. Zijn ze niet opzoek naar mij? Een andere man komt met een beige labrador een andere tunnel uitlopen. Ze zijn hier echt niet voor mij.

'Meisje? Hey, wat is je naam?' De man staat voor mijn gezicht te zwaaien. Mijn naam? 'I-ik heb geen idee.' Het klinkt raar uit mijn mond. De man lijkt me ook niet te begrijpen. Hij haalt zijn collega's erbij. Mijn hoofd bonkt nog erger, en uiteindelijk verlies ik mijn zicht.

De piepjes die door de ruimte gaan zijn vreselijk irritant. De kamer is wit en schoon, haast te schoon. Ik lig op een bed met een naald in mijn arm die is bevestigd aan een zak met vloeistof. Langzaam druppelt de vloeistof in het buisje, en vanuit dat buisje naar de naald in mijn arm. Vanuit daar kan ik de druppel niet meer volgen. Een vrouw komt binnenlopen. 'Oh, je bent wakker. Mooi. Heb je dorst?' Ik had het nog niet eens opgemerkt. Mijn mond is vies vanbinnen, tenminste zo voelt het. Ik knik naar de vrouw die vervolgens een bekertje vult met water. De vrouw, die volgens haar naamkaartje Martha heet, reikt me het bekertje die ik dankbaar aanneem. 'Ik haal even een dokter voor je.' Zegt ze nog als ze uit de kamer verdwijnt.

Ik ben weer alleen, met het bekertje water. Het is alleen.. Waar the hell ben ik? Ik weet niets meer. Wie kan ik vertrouwen, en wie kan ik niet vertrouwen. Wie kan ik niet vertrouwen. Ik herhaal het steeds, er is iets gebeurt. Iets waarvan ik niets meer af weet.

Ik wil uit het bed kruipen maar die draden zitten vast aan mijn lichaam. Ik volg ze om me te los te maken. Er zijn drie draden, de een verdwijnt in mijn hand, de ander splitst en eindigt in mijn neus en de laatste zit in mijn borst. De draden voor mijn hand en borst zijn verbonden met een zak water denk ik, en de draad die in mijn neus zit aan de fles met lucht misschien.

De deur opent en er komt een man binnenlopen. 'Dag Tess. We hebben je uitslagen.' Ik strek mijn rug. Geen idee of Tess mijn naam is maar het spreekt me aan. 'Zoals we al wisten, amnesie, geheugenverlies, weet je al iets meer?' Moet ik de man vertellen over mijn dromen? Vertrouw niemand, maar ook echt niemand. Ik besluit mijn mond te houden, voorlopig. 'Stel ik had herinneringen, hoe zou ik die herinneringen dan hebben?' De man, met het naambordje ''Dr. Hanssen'' kijkt me raar aan, maar antwoord toch. 'Tess, heel eerlijk heb ik geen idee. De één heeft dromen, de ander déjà vu's Ik kan het je niet zeggen.' Ik knik en mijn dokter verlaat de kamer.

'Dok?' De man komt weer naar me toelopen. 'Er is nog niemand voor me geweest. Waar zijn mijn ouders?' Hij legt zijn klembord neet en gaat op mijn bed zitten. 'Tess, je bent een hele tijd weggeweest. Je moeder is naar Australië verhuisd, ze komen zo snel mogelijk terug.' Hij staat weer op maar ik kan net op tijd zijn arm pakken. 'Hoelang ben ik weggeweest?' Vraag ik. 'Anderhalf jaar.' Verbaasd laat ik zijn arm los de man verlaat de kamer.

Ik open mijn wiskunde boek. Een geel briefje. Ik krijg steeds briefjes met simpele tekstjes als ''Ik krijg je wel'' Of ''Kijk uit.'' Geen idee wat ze betekenen voor mij, ze lijken wel belangrijk. Ik open het briefje. ''17:00 Kerkhof. Trek iets leuks aan. Ik verwacht je. X mij.'' Trillend vouw ik het briefje weer op. 'Tess, alles okey?' Ik knik naar mijn beste vriendin. Moet ik gaan?

Ik loop in mijn zwartje jurkje over het kerkhof. Na het briefje met de uitnodiging kreeg ik nog een briefje met een dreigement. Overal verschijnen een paar schimmen, maar ik kan het me ook makkelijk inbeelden. Ik tril van de angst en de kou. Zo dom dat ik niemand heb vertelt waar ik ben heengegaan. Ik vis mijn mobiel uit de zak van mijn jas, en tik het nummer van Ashley in. Vijf keer doe ik het mis. God, ik ben bang. De schim wordt duidelijker. Hij haalt een soort doek uit zijn zak. Okey, Tess, dit is je kans om te vluchten. Ik ren zo snel mogelijk weg, alleen de man is sneller.

Hij werpt me op de grond en houd mijn handen op mijn rug. Vluchtig haalt hij de zakdoek weer tevoorschijn en vouwt de doek voor mijn mond. Ga ik nu dood? Gaat het zo eindigen? Mijn oogleden worden zwaar en ik zak neer. Dood ben ik niet. Ik weet dat ik adem. Ik kan me alleen niet bewegen of iets voelen. Afwachten dan maar..

Ik schrik wakker uit mijn slaap. Ik tast snel mijn lichaam af. Ik mis niks, gelukkig. Ik laat mijn hoofd op het kussen zakken. Een steek vanuit mijn nek laat me weer rechtop zitten. Zodra er weer een dokter is meld ik het wel. Vertrouw niemand. Die enge stem is er weer. Het is niet mijn stem. Het is een mannenstem, maar wat doet die stem in mijn hoofd?

TroubledMindWhere stories live. Discover now