Proloog

218 15 10
                                        


Ik zat daar, en even was alles goed. De zee golfde rustig voor mijn voeten en de meeuwen hielden na een tijdje ook hun snavel. Ik heb de Noorse zee altijd al fascinerend gevonden en ik keek daarom naar het hypnotiserende water, zoekend naar iets wat niet bestond. Zoekend naar iemand die niet bestond.
Ik heb mijn moeder nooit gekend. Volgens media die ik ooit heb gevonden was ze verdwenen toen ik ongeveer drie was. Niemand heeft ooit nog een spoor van haar gevonden. Familieleden die ik heb gesproken zeiden dat het was alsof ze in rook op was gegaan. Een heel opsporingsteam heeft nog een jaar naar haar gezocht en gaf de moed daarna op. Iedereen probeerde haar te vergeten, maar ik en mijn vader is dat nooit gelukt, ook al heb ik haar amper gekend, maar toch had ik mijn hele leven het gevoel dat alles niet compleet was. Dat ik een deel van mijzelf kwijt was. Maar ik ging wel door met mijn leven. Ik kreeg een vriendje, Remi, en een BFF en ging gewoon naar school. Mijn vader in integendeel.
Mijn vader, Walther Birget, was vroeger de held van de stad, hoorde ik van een oude vrouw uit het dorp. Hij was een soort leidinggevende bij een groot visbedrijf en was tegelijk de baas van alle recreatie van heel Bodø. Hij organiseerde feestjes, kermissen en het allerbelangrijkste: de jaarlijkse kerstmarkt, elke winter. Mensen vanuit heel Noorwegen kwamen naar ons kleine stadje om de kleine kraampjes te bezoeken en om vers getapt bier te drinken. Allemaal door mijn vader. Ik moest moeite doen om het te geloven.
De vader die ik kende was er nooit voor mij. Dagen zat hij op zijn kamer. In het begin kwam hij alleen naar beneden voor koffie en een tijdje daarna had hij het koffiezetapparaat verhuisd naar boven, zodat hij nooit naar beneden hoefde. 's Nachts, als het geluid van de zee niet al te wild was, hoorde ik hem vanuit zijn kamer naar beneden strompelen. Ik had altijd de neiging om hem te achtervolgen, te vragen wat hij aan het doen was, maar ik durfde het niet. Ik was bang om hem te zien. Straks trof ik een magere, uitgebuite man aan, die ik niet herkende. Misschien schrok hij dan wel van mij. Of hij zou tegen mij gaan gaan schreeuwen, met die stem die ik alleen nog in mijn dromen hoorde. In mijn nachtmerries.
Overdag ging mijn normale leven verder. Ik ging naar school, wat een ramp was. Met de nadrukkring op 'was', want vroeger werd ik gepest door de jongens uit de vijfde. Ze schopte me, daagden me uit en spuugden in mijn gezicht. Net als die woensdag, een jaar geleden.

Ik liep door de gangen van het gebouw van de middelbare school. Alleen. Eenzaam.
Ik hoorde dat er achter mijn rug om over mij gepraat werd, maar dat deden ze al jaren. Ik trok me er zo weinig mogelijk van aan. Wat kon ik er nou aan doen?
Er waren een aantal redenen waarom ik gepest werd. Ik was klein, dat was één punt. Ik had een depressieve vader en geen moeder meer, ach, hulpeloos kind. En, dit stond op nummer één, ik was het lievelingetje van leraren omdat ik toetsen zo goed maakte. Het klinkt misschien opschepperig, maar het was wel zo. Als ik een 5,5 had gehaald, dan had ik alsnog het hoogste cijfer van de klas. Stom. Wel fijn. Maar toch stom.
Dus, zo ging het elke dag. De raarste geruchten over mij kreeg ik binnen, geruchten die helemaal niet waar waren. Ik was elke dag het hoofdonderwerp van de dag. Ik was populair. Populair in een negatieve zin. Dat mensen daar niet gek van werden...
Toch had niet iedereen het over die geruchten. Niet iedereen praatte, achter mijn rug om, over mij. Nee. Die mensen negeerden me dan. Net zo irritant. Het deed bijna zeerder dan dat je wist en hoorde dat mensen over je praatten.
Ik voelde me alleen. Zonder vrienden. Zonder steun. Zonder iemand.
Maar nu liep ik toch, op deze - o zo mooie -  dinsdag, het lokaal binnen. Noors. Mijn favoriete vak. Ik wilde namelijk graag schrijfster worden.
Ik ging op weg naar mijn tafeltje achterin.
Mensen keken naar mij. Praatten over mij. Negeerden mij. Lachten me in mijn gezicht uit. Blokkeerden me de weg. Spuugden in mijn gezicht. Gaven me een stomp. Sloegen me. En..., het ergste, gaven me een briefje.
Nadat ik eindelijk bij mijn vertrouwde plekje was aangekomen, stopte ik de briefjes in mijn tas. Ik wist niet dat ze nog een klein beetje uit mijn tas staken...
"Dames en heren!" riep mevrouw Anastasia, "Even stil!". De klas luisterde eerst niet, maar ging daarna braaf zitten.
"Dit is Elvira," zei ze en ze wenkte met haar mollige vingers naar de deur, "kom maar.". Een beeldschoon meisje kwam achter de deur vandaan. Ze was verlegen en keek angstig om zich heen. Toch zou ze één van de populairste zijn. Ze zou mij niet mogen. Ze zou mij pesten. Ik wendde mijn gezicht af. Voordat ze mij al haar ergste blik toe zou werpen.
"Wil je wat over jezelf vertellen?" vroeg mevrouw Anastasia.
"Nee, bedankt."
"Oké, zoek dan maar een plekje uit.". Ik keek op. In de klas waren nog een aantal plekjes vrij. Ze kon overal zitten, maar ze zou zeker niet naast mij komen zitten.
"Kom hier zitten!" zei Jorik terwijl hij stoer probeerde te doen.
"Nee, hier" krijste een meisje, "Je wil vast liever bij de geweldige meiden!".
Een groep jongens sloot zich om haar heen, "Kom maar bij ons" zeiden ze in koor.
Elvira trok zich niks van iedereen aan.
Ik staarde naar mijn tafel.
"Mag ik hier zitten?" vroeg een zachte, liefdevolle stem.
Ik keek op. Daar stond ze! Vroeg ze het echt aan mij? Ik kneep mezelf. Ja, het was de werkelijkheid. "Tuurlijk!" antwoordde ik daarom maar.
Iedereen keek mij verwijtend aan, maar daar lette ik niet op. Ze zat naast mij! Elvira zat naast mij!
De les verliep rustig, op wat gewone geïrriteerde blikken na. Ze waren wel wat erger dan normaal, maar dat maakte niet uit. Daar hadden ze alleen zichzelf mee.
Uiteindelijk ging de bel. Snel liep ik naar buiten. Voor de geïrriteerde groepjes uit.
Ik liep door de gangen, drukte me tussen de menigte door en liep om een groepje vechtende brugklassers die de weg blokkeerden. Ik vond ze onhandig. Verschrikkelijk. Ze voelden zichzelf stoer. Misschien was ik vroeger ook wel zo geweest. Ik kon het me niet voorstellen...
Zo liep ik nadenkend naar buiten. Naar mijn plekje. De lage muur. Alleen.
Dus, ja, alleen... Net zoals elke ochtend, middag, enzovoort. Daar op die muur at ik mijn brood. Of mijn appel. Of ik dronk mijn drinken op. Of ik at mijn knäckebröd. Of ik maakte huiswerk. Of ik staarde in de verte.
Nu deed ik bijna alles tegelijk; ik nam een hapje van mijn brood, appel of knäckebröd, dronk mijn drinken op, maakte mijn huiswerk en staarde af en toe in de verte zonder dat ik iets zag. Doordat ik zo druk bezig was, hoorde ik de voetstappen niet. Ik hoorde geen geschuifel, ik hoorde ook niet de adem van de dichterbij komende persoon, ik hoorde niks. Ik hoorde alleen mijn eigen hart in mijn keel bonken, alsof die duidelijk wilde maken dat er iemand aankwam. Waarschijnlijk een pestkop. Toch negeerde ik het gebonk.
Het was stil, doodse stilte. Ik merkte het niet.
"Hey," hoorde ik. Ik keek op. De stem kwam niet uit de keel van een pestkop, maar uit de keel van een ander. Een mooi meisje. Ik kende haar. Zíj zat naast mij in de klas. Hoe heette ze ook alweer? Opeens wist ik het weer!
"Hey, Elvira..." stamelde ik.
Het bleef stil.
En het was nog steeds stil.
Ik keek besluiteloos naar mijn huiswerk en mijn eten.
"Mag ik daar zitten?", onderbrak Elvira de stilte.
"Ja, tuurlijk...", zei ik. Ik pakte mijn tas van het muurtje af, zodat Elvira daar kon gaan zitten. En, ik wierp haar mijn mooiste glimlach toe. Één van de eerste sinds mijn hele schoolleven.
Elvira ging zitten, pakte haar huiswerk uit haar rugzak en zette de tas op de grond. Besluiteloos staarde ze naar het huiswerk. Haar pen lag in haar hand, terwijl ze er niks mee deed. Ik keek ernaar.
"Lukt het?" vroeg ik.
"Nop...", antwoordde ze, "ik begrijp er helemaal niks van". Ondertussen zat ze nog steeds naar haar huiswerk te staren.
"Moet ik helpen?"
Ze glimlachte, en knikte. Dus, ik hielp haar. Ik hielp haar met de wiskundeopgaven, de geschiedenis opdrachten en het Noors.
"Die briefjes...", zei ze opeens, nadat ik wiskunde had uitgelegd, "van wie zijn die?".
Ik verstijfde. Hoe wist ze daarvan?
"Ze staken uit je tas", zei ze, alsof ze antwoordt gaf op mijn gedachten.
"Oh...", zei ik alleen maar en mijn blik werd naar de tas toegetrokken. Inderdaad. Dom.
"Mag ik weten van wie ze zijn?", vroeg Elvira voorzichtig.
"Euh, ja", zei ik. "Van de pestkoppen uit mijn klas...". Ik keek haar aan en ontweek haar nadenkende blik toen toch snel.
"Mag ik ze eens lezen?"
Ik opende mijn tas en pakte het stapeltje briefjes eruit. Trillend gaf ik ze aan Elvira.
Elvira keek ernaar. Daarna opende ze het eerste briefje voorzichtig.

You've reached the end of published parts.

⏰ Last updated: Apr 13, 2016 ⏰

Add this story to your Library to get notified about new parts!

UniqueWhere stories live. Discover now