Hoofdstuk 1

17 1 1
                                        


1 April 1941

Eén jaar en 7 maanden geleden brak de Tweede Wereldoorlog uit. En nu zit ik hier ver weg van mijn gezin in Libië als Leutnant het bevel te voeren over de mij aangewezen troepen. Iedereen hier is gestuurd door onze Führer, Adolf Hitler. Hij stuurde mij, onze aanvoerder Generalleutnant Erwin Rommel en vele andere soldaten en officieren om de rotzooi die zijn bondgenoot Italië gemaakt heeft op te ruimen. In de weken die wij hier nu zijn hebben we al aardig wat vooruitgang geboekt. We hebben El Agheila en Mersa Brega terug veroverd op de Britten en rukken op richting Agedabia en Zuetina. Maar ondanks deze successen mis ik thuis en mijn gezin. Ik mis mijn vrouw Emma, mijn dochter Hannah en mijn zoon Helmuth. Ook maak ik mij zorgen, om hen en vooral om mijn zoon. Hij heeft zich vrijwillig aangemeld voor het leger, maar is nog maar amper eenentwintig jaar oud. En dan is hij ook nog gestationeerd in het oosten, waar over een paar maanden "Unternehmen Barbarossa" de invasie van de Sovjet-Unie begint. Johan keek op van zijn dagboek toen er een soldaat zijn tent binnenstapte en hem groette. "Op de plaats rust!" zei Johan en vroeg daarna "Wat is er soldaat?" De soldaat antwoordde direct en zei met een luide stem "U wordt zo spoedig mogelijk verwacht bij de commandotent om tactiek besprekingen te voeren met Generalleutnant Erwin Rommel!" Johan zei tegen de soldaat "Bedankt voor de mededeling, ingerukt!" stond op en liep zijn tent uit om door het kampement naar de commandotent te gaan. Eenmaal aangekomen zag hij zijn aanvoerder samen met een aantal andere officieren naar een kaart kijken en praten. Schuin voor hem stond nog een officier, één die hij maar al te goed kende. "Hoe gaat het ermee Albert?" vroeg Johan. Albert grijnsde naar zijn vriend en mede officier en zei "Zoals je ziet heb ik al mijn ledematen nog, dus je zou kunnen zeggen dat het goed gaat." "Mooi zo." antwoordde Johan. "En hoe gaat het met je mannen? Hoe je ze nog een beetje in toom?" "De meesten wel, op Reinald na natuurlijk." antwoordde Albert. "Wil Reinald nog steeds niet luisteren? Die kerel veranderd ook niets." reageerde Johan "Precies, hij blijft maar door zeuren over dat we zonder Italië nu nog lekker thuis bij de openhaard zouden zitten, of in de kroeg met een glas bier." zei Albert. "Ook al zou Italië niet onze bondgenoot zijn, dan nog zouden we elders hebben moeten vechten." zei Johan. "Waarschijnlijk wel." antwoordde Albert. "Mijne heren!" begon Erwin Rommel "Welkom en dank u voor uw komst. Ik heb u allen hier bijeen geroepen om de tactiek voor de komende aanval door te nemen." "Zoals u weet." ging hij verder "Is het de bedoeling op te rukken naar Benghazi. Ik heb Lieutenant-Colonel Gerhard von Schwerin vooruit gestuurd om dit gebied." Hij wees het gebied op de kaart aan "te verkennen en eventuele Britse troepen te lokaliseren." "Het is de bedoeling dat we op 4 April de stad hebben bereikt en ingenomen." "Als laatste wil ik u nog verzoeken uw manschappen voor te bereiden, we vertrekken op 3 April." zei hij. De officieren verlieten de tent of bleven achter en begonnen te praten. Johan liep al pratend met Albert de tent uit de warmte van de Sahara in.

You've reached the end of published parts.

⏰ Last updated: Sep 02, 2020 ⏰

Add this story to your Library to get notified about new parts!

De verhalen van het frontWhere stories live. Discover now