Trip switch

23 0 0
                                        

We stonden in de verduisterde bijkeuken, en m'n telefoon gaf inmiddels; 'zondag, 13 oktober' aan. Een nieuwe dag was officiëel, volgens de kalender, aangebroken. Alles was tot nu toe onschuldig geweest, niks had tot nu toe gewerkt en ik was er na vanavond achtergekomen dat ik onsterfelijk was, compleet imuum voor alles wat verdovende middelen betreft. Toch?! In m'nonvermogen om verstandig na te denken op dat moment liet ik me gaan. Achterafkon ik mezelf wel wat, uit schaamte, hoofdschuddend om mijn stupide.

Opeens begon de cake z'n werk te doen. Opeens sloeg de wiet in als een bom en begonnen er effecten op te treden. Alles om me heen begon te draaien en tegelijkertijd begon m'n hoofd te tollen. Binnen in m'n hoofd werd het wazig, ik werd langzaam maar zeker misselijk en angstig. Ik had geen stappenplan van hoe ik door deze levende hel heen moest, hoe ik dit moest uitzitten. Ik wist helemaal niks. Niet hoe lang het nog zou aanhouden, niet of dit het dieptepunt was, of dat het allerergste nog moest komen. Het enige wat ik wist was dat ik dit nooit meer wilde. Toen besefte ik dat ik me al veel te lang bezig hield met alleen mezelf. M'n wereldje was gekrompen naar alleen m'n eigen leed. Een boze stem in m'n hoofd sprak me streng toe; "Hoe kun je zo egoÏstisch zijn, Tijmen is er ook nog. Kijk eens naar hem, hij is ongetwijfeld net zo ver heen als jij en misschien nog wel erger. Sta hem bij, ontferm je over hem." Met heel veel moeite lukte het me net om m'n nog ongestrikte schoenen uit te trappen. Ik voelde iets naar boven komen vanuit m'n maag. Met pijn in m'n hoofd en vertraagde spieren in m'n mond bracht ik langzaam en slordig de woorden; "Ik denk dat ik moet overgeven" uit. Maar het was als een doelloze mededeling. Ik bleef stilstaan en handelde nergens naar. Ondertussen kwam Tijmen wel in actie en leek de situatie volledig onder controle hebben, ook al was dat eigenlijk schijn. Zo gauw hij het woord "overgeven" hoorde pakte hij me bij m'n hand. Wankelend trotseerden we samen het toilet. Als een portier greep hij de klink, opende de deur en begeleidde me het kleine hokje in. Daar stortte ik in elkaar, als een zielig en overvaren hoopje, een echte "newbie".


Tijmen stond buiten af te wachten op een teken van vooruitgang. Ook hij was van de wereld, onwetend hoe hij dit moest gaan aanpakken en had, of hij het zelf nou wel of niet wist, behoefte aan iemand die wist waar hij doorheen ging, wat hij doormaakte. En die iemand kon op dit moment alleen ik zijn. Samen, samen moesten we hier doorheen zien te worstelen. Toen ik m'n best had gedaan er na een minuut of 15 nog niets uit was gekomen, stond ik op. Te snel voor de staat waarin ik me verkeerde want een vervloekte pijnscheut vulde m'n hoofd op. Nog steeds duizelig. Ik klemde me met m'n ene hand vast aan de deur en met m'n andere hand de deuropening. "Kom even hiernaast zitten, en probeer rustig te blijven", klonk het advies van Tijmen. Hij praatte zoals je praat in je slaap. Een hele diepe slaap. Rustig blijven?! Hoe dan? Ik waande me in een achtbaanrit door de hel, was mezelf helemaal kwijt en zou mezelf dit nooit weer vergeven, hoe kon je daar rustig onder blijven. Toch luisterde ik naar hem en plofte naast hem neer onderaan de trap, iets beters kon ik me ook niet bedenken. "Heb je je ogen open of dicht?", klonk de verwarde slaapstem naast me. "Ik heb ze open", constateerde ik resoluut. "Doe ze eens dicht dan." Ik vertrouwde er door Tijmen's quasi zekerheid even op dat we onszelf konden redden en volgde het commando op. Er viel een intense stilte voor een paar seconden. "Beter?" Tot m'n teleurstelling veranderde er voor m'n gevoel vrij weinig. Maar natuurlijk was dat logisch geweest, het huis was ook nauwelijks verlicht. "N-nee, niet beter nee, maar ook niet slechter, gewoon zoals net", stotterde ik, waarna een paniekmoment volgde. Ik was geschrokken van hoe erg mijn brein moeite moest doen om simpele zinnen te vormen. Het orgaan waar ik altijd zo goed op kon rekenen was verdoofd. Ik wilde niet meer. Voor het eerst in een lange tijd waren mijn emoties overheersend. "Ik wil naar boven, ik wil gaan liggen."

Daar was Tijmen het blijkbaar mee eens, hij schakelde de hulp in van Wouter. Wouter, arme Wouter, de enige nuchtere die ons zelf veroorzaakte leed kon aanschouwen voor de komende paar uur. "Wouter, pak je even een matras van zolder?" Hij had geen keus. We waren compleet afhankelijk geworden van m'n anderhalf jaar jongere broer. Ik voelde me zo incapabel, en ik kon me nauwelijks voorstellen dat Tijmen zich niet zo voelde. Toch diende hij zelfs op dat moment nog een doel, hij liep achter me de trap op en fugneerde als perfect vangnet voor als ik m'n evenwicht zou verliezen. Ik deed m'n best om dat te voorkomen. Wouter ontwaarde ons vanaf de overloop en stak in een poging om te helpen z'n hand uit. Boven aangekomen kon ik aan niets anders dan slaap denken. M'n onderbewustzijn was als een warm zwembad waar ik in wou duiken en pas weer uit zou klimmen als ik de trip uitgezeten had. M'n bed was een magnetisch veld geworden waar ik naartoe strompelde als iemand die al dagen niets gedronken had naar een waterput. Zou Tijmen ook zo verlangen naar slaap?

Voorzichtig en enigszins stroef liet ik me vallen op het matras. Alle kleuren in m'n kamer waren feller dan normaal. M'n perzikgekleurde hoeslaken stak opeens heel lelijk af tegen de rest. Het licht moest uit om de prikkels te dempen. Ik verzocht Wouter de op dit moment ongepaste sfeerlichtjes uit te doen. Dat deed hij. Ik lag erbij als een mislukte pudding, zielig en trillend. M'n hoofd leek met de seconde rustelozer te worden en ik begon wanhopig te zoeken naar manieren om mezelf rustig krijgen. Een bezigheid, een punt waarop ik de focus kon leggen. M'n hoofd was een 'Waar is Wally' plaat, zo'n plafonddecoratie die je bij de tandarts aantrof bestaande uit een cartoontekening waar zich tachtig situaties tegelijk voordeden. Had Tijmen dit ook? Ik moest een manier vinden om in te zoomen op één van die situaties en de rest weg filteren.



Ik weet niet waar het opeens vandaan kwam, of dat het uberhaupt wel verstandig was op dit moment, maar ik kreeg opeens een intens sterke behoefte aan fysiek contact. Geen gekke dingen, maar simpelweg gewoon elkaar vasthouden, hoe achterlijk het ook klonk. Ik voelde me zwak om me eraan toe te geven, maar verstandige afwegingen deden er op dit moment even niet meer toe. Benauwd bij de gedachte dat hij niet zou willen stelde ik het uit.

Voorzichtig draaide ik me om en liet m'n blik vallen op een slapende Tijmen op het grijs-geel gestreepte matras. Zijn haar was nog steeds perfect gevormd door de aangebrachte gel, z'n spijkerjas die hij religieus, haast als een tweede huid, droeg had hij nog steeds aan en hij lag er bijna gekruld bij, zijn hoofd steunend op z'n handen. Het was een aandoenlijk plaatje, en ik vond hem oprecht heel knap. Nog steeds kijkend, of inmiddels meer starend, begonnen zich vage flarden aan herrineringen af te spelen in m'n hoofd, herrineringen die ik had gemaakt met Tijmen. Tijmen en ik tourend door de stad om 11 uur 'savonds, Tijmen en ik die elkaar, tot grote ergenis van de van onze Nederlands docente, afleidden tijdens de les. Een Tijmen die altijd joviaal ontvangen werd door z'n vriendengroep. Hechte en bijzondere vriendschappen waarvan sommige geworteld waren in zijn vroege jeugd. Soms had ik me weleens afgevraagd wat hij, een fladderende sociale vlinder, in me kon zien. Abrupt als een klap bracht ik mezelf weer in het hier en nu. "Tijmen?" Ik wachtte een paar seconden op antwoord. "Tijmen, wil je misschien naast me komen liggen?" "Ja, is goed." Ik schoof me opzij, om ruimte vrij te maken, en ging met de rug naar hem toegekeerd liggen. Hij nam plaats achter me. Hij was warm, en ik voelde me opeens beschermd en geliefd. Voorzichtig maar net stevig genoeg klemde hij z'n warme handen om m'n middel. Even begon het erop te lijken dat het allerergste achter de rug was, dat de storm voorbij aan het trekken was, maar net toen we weer op adem begonnen te komen werd ik hardhandig het oog van de orkaan ingetrokken, en alles in me en om me heen leek met de seconde onrustiger en intenser te worden. De achtbaanrit door de hel was ditmaal 10 keer sneller. Ik weet niet of mijn rusteloze ziel zat gevangen in een lichaam wat er niet tegen kon vechten, of dat mijn ziel niet was opgewassen tegen de rusteloosheid van mijn lichaam. Ik wilde deze onschuldige vorm van intimiteit vasthouden, maar tegelijkertijd wilde ik de situatie ontvluchten. Ik draaide me om naar Tijmen, sloeg m'n armen om z'n nek en rustte mijn hoofd op z'n borstkas. Ondertussen sloeg m'n ademhaling op hol, en Tijmen had het door. Voorlopig was hij nog zo verdoofd als een kies door de THC bevattende kruiden, en daarmee uiteraard niet volledig in staat in te grijpen. Echter deed hij zijn uiterste best, voor zover hem dat onder deze omstandigheden lukte, om me te kalmeren. "Rosa, luister naar me, oké?" Ik zou het proberen. "Probeer even rustig in te ademen, en dat een aantal seconden vast te houden, en dan weer rustig uit te ademen." Er zat niets anders op. Veel triester kon niet. Nu lagen er twee mislukte puddingen wanhopige pogingen zichzelf te reanimeren aan het doen.

You've reached the end of published parts.

⏰ Last updated: Mar 10, 2020 ⏰

Add this story to your Library to get notified about new parts!

Korte VerhalenStories to obsess over. Discover now