Proloog

13 1 10
                                        

Regen trommelde gestaag op het harde donderpad dat tussen de eindeloze rijen tweebeennesten doorliep. Van tijd tot tijd denderde er een monster met gloeiende ogen voorbij en een enkele tweebeen draafde voort gehult in zijn glimmende pels.
Twee katten glipten stilletjes een hoek om, dicht langs de muren waar de schaduw het donkerst was. Voorop een magere zwarte kater met gerafelde oren en heldere, waakzame ogen, elke haar donker van water tegen zijn lijf geplakt.
Achter hem sloop een breedgeschouderde oranje kater en spieren die soepel onder zijn drijfnatte pels rimpelden. Zijn groene ogen glieden in het helle licht en flitsten heen en weer.
In de ingang van een tweebeennest die enige beschutting bood, bleef hij staan en gromde: 'Hoe ver nog? Het stinkt hier.' De zwarte kater keek om. 'Het is nu niet ver meer.' 'Dat kan maar beter waar zijn.' Met een grimas trippelde de zwarte kater verder. Terwijl hij geïrriteerd de regendruppels van zijn oren schudde.
Een straal fel geel licht viel over hem heen en hij kromp ineen bij een monster dat de hoek om kwam denderen in een golf van regenwater dat naar tweebeenafval stonk. De oranje kater grauwde toen het water over hem heen klotste.
De zwarte kater ging voor ,langs het donderpad en over een open ruimte, waar een bontgekleurde werveling van onnatuurlijke lichten op de plassen dreef. Hij bleef staan bij de ingang van een steeg. 'Is dit de plek?' vroeg de oranje kater. 'Hier is het.' antwoordde de zwarte kater gespannen. 'En denk aan wat ik je gezegt heb. De kat die we hier zullen ontmoeten heeft gezag over heel veel katten. We moeten haar met eerbied behandelen.' De oranje kat liet een diep gegrom horen. 'Vooruit dan Brutus, maar dat is niet gezegd dat ik hier misschien wil blijven.' De zwarte kat legde zijn oren plat tegen zijn kop. 'Tim, ik stel je alleen maar voor aan katten die je misschien kunnen helpen. Ik ben hier ook geweest en kijk eens waar ik nu sta.' De oranje kater keek hem aan. 'Oke dan, maar jij gaat eerst.' Brutus knikte en ging de steeg in. Na een paar stappen bleef hij staan voor een reusachtige gestalte die boven hem uit torende. 'Wie is daar?' Een grote bruine kater stapte uit de shaduw. 'O, ben jij het Brutus. Zit je alweer in de problemen.' miauwde de bruine kater. 'Nee, deze keer niet, maar mijn vriend heeft wel hulp nodig.' Hij stapte opzij. De bruine kater keek hem even aan en wenkte met zijn staart dat ze hem moesten volgen. Tim tuurde rond en zag aan beide kanten magere katten achter vuilnisbakken glippen waar hun glinsterende ogen de twee katten volgden. Een muur vormde het einde van de steeg. 'Ik schijn bezoek te hebben.' De stem kwam van een pik zwarte poes. De bruine kater antwoordde:'Nacht, Brutus heeft een vriend mee genomen.' Nacht liep op de twee kater af en ging voor hun neus zitten met haar staart sierlijk over haar poten geslagen. 'Welkom, waar kan ik jullie mee van dienst zijn?' miauwde Nacht. Tim keek naar zijn metgezel die hem een kort knikje gaf. Daarna wende hij zich naar de zwarte poes. 'Ik ben Tim, en ik zoek een nieuw thuis.'

You've reached the end of published parts.

⏰ Last updated: Aug 07, 2019 ⏰

Add this story to your Library to get notified about new parts!

Zwartklauw's OntdekkingStories to obsess over. Discover now