Ik kan je vertellen dat het begin van de eenentwintigste eeuw het beste was om in te leven. Technologie was ontwikkeld, mensen hadden dingen uitgedokterd om een zo gemakkelijk mogelijk leven te leiden.
En ja, er was armoede, maar die is er altijd geweest. En ja, er waren problemen met de opwarming van de aarde, maar nog ver in het beginstadium, en voor de gemiddelde mens niet het grootste probleem in hun leven.
Het was iets wat ze op campagnes zagen, op school leerden, maar het enige dat ze zelf ondervonden, was misschien een warmere zomer en minder sneeuw. Mensen in dat tijdperk zouden, als ze me nu zouden kunnen horen, berispen met het feit dat die problemen best wel zwaar waren. Het is niets in vergelijking met nu.
Het is iets waar ik vaak over nadenk. In de avond, op school, of nu, in de trein. Mijn hoofd leunt tegen het koude raampje en bonkt af en toe tegen het glas als het voertuig siddert. Veel merk ik er niet van. Mijn vingers klemmen zich om de tas op mijn schoot.
Bijna. Ik ben er bijna. Bijna kan ik opnieuw beginnen, een nieuwe vervuilde, droge stad, een nieuwe saaie school die depressieve feiten over de toestand van de wereld rondstrooit. Ik zucht en kijk toe hoe mijn adem condens vormt op het glas.
Een voor een maak ik de vingers van mijn rechterhand los van de tas en mijn trillende hand maakt kleine cirkeltjes in het vocht tot het verdwijnt.
Steeds hetzelfde landschap suist voorbij. Uitgedroogde velden, grijze lucht, magere, zieke dieren, en ver aan de horizon zie ik de contouren opdoemen van een stad. Waarom ik opnieuw zou beginnen?
Niet omdat ik het wil, maar zou jij het niet vreemd vinden als het meisje in je stad geen dag veroudert, in vijf, tien jaar niet? De contouren worden steeds duidelijker. Grijze gebouwen, doods, triest.
Inwendig oefen ik mijn introductie. Mensen zullen verrast zijn, iets wantrouwig – ik zou een vluchtende crimineel kunnen zijn-, maar blij dat er wat leven in de stad komt. Niet veel mensen maken zulke lange reizen om van stad naar stad te gaan, begrijp je?
Ik ben Lea Lobis. Zestien jaar oud. Ik ben naar hier gekomen wegens familieproblemen in mijn thuisstad.
Dat zal ik zeggen. Geen perfecte smoes, maar dat hoeft ook niet.
Ik ben Lea Lobis. Zestien jaar oud, en dat al voor zo lang ik me kan herinneren. Ik ben naar hier gekomen omdat mensen anders wantrouwig zouden worden. Ik ben onsterfelijk.
Dat is wat ik niet ga zeggen, al is het wat ik zou willen doen. Tweeduizend jaar lang is er niemand geweest waartegen ik kon praten, écht kon praten. Nog nooit ben ik iemand tegengekomen die zoals mij was, al weet ik na twee millennia nog steeds niet wat mij zijn precies inhoudt.
Oorlogen en natuurrampen zijn aan me voorbijgegaan zonder me te schaden, zonder dat ik de reden ervoor wist. En waar andere mensen wanneer ze voorspellingen en verhalen hoorden steunden op het feit dat ze allang dood zouden zijn als de wereld verging, kon ik dat niet. Misschien heb ik, net als in dit leven, ook mijn vorige zwaar verpest en is dat de reden, als reïncarnatie de gang van het leven is.
Misschien heeft het een doel voor de toekomst. Misschien hebben de dromen toch een betekenis. Ik weet het niet. Knipperend tegen het toevallen van mijn oogleden geeuw ik. Veel steden blijven er niet over na de Oorlogen en de natuurrampen, dus van de ene stad naar de andere reizen is een lange tocht.
Een tocht tijdens welke ik wakker wilde blijven. Ik wilde mijn ogen niet sluiten voor de ellende. De andere reden is de dromen. Beide dingen hebben me op de been gehouden tien uur lang, maar nu, met misschien nog een uur te gaan, besluit mijn lichaam dat het tijd is om in slaap te vallen. En ik gehoorzaam.
Mijn vingers ontspannen zich om mijn tas en een diepe duisternis slokt me op. Als ik mijn ogen weer open staat een vrouw van middelbare leeftijd me fronsend aan te kijken. Haar hand is nog steeds geheven, en op mijn schouder voel ik een zacht kloppen. Hoelang en hoe vaak heeft ze me aangetikt om me wakker te krijgen? Haar blik spreekt boekdelen. Vaak. Heel vaak.
'Jongedame.' Haar stem is koud. 'Uw ticket vermeldt dat dit uw eindhalte is. Verder reizen is niet toegestaan.'
Snel sta ik op, de draaiingen negerend, en knik enkele keren.
'Ja, mevrouw.' Ik zie haar blik verzachten en onschuldig glimlach ik naar haar. De grote hertenogen van mijn moeder en mijn bruine krullen hadden al vaak hun dienst bewezen. Ze lieten me het kleine meisje lijken, iemand die nooit iets slecht zou doen.
Het helpt me om in mijn rol te blijven, maar langs de andere kant haat ik dat mijn uiterlijk verbergt wie ik echt ben. Want mijn bloed is het zwart van moordenaars.
JE LEEST
Als Het Einde Begint
Science Fiction"Als je ooit een teken van ons of hen opmerkt, negeer het niet. Geloof de leiders niet. Het is vechten of vluchten." Lea Lobis is onsterfelijk. Ze heeft geen idee waarom, maar drie dingen weet ze heel zeker: de wereld staat op het punt om te vergaan...
