~ 1 ~

1 0 0
                                        

           

Overal hoor ik mannen schreeuwen, ik kan nergens heen dus verstop ik me maar. Daar, tussen die kisten is een plek.

Ik loop naar de stapels opgestapelde kisten en ga zitten. Dan kijk om me heen. Ik zie grote grijze tenten. Sommigen staan in brand en er komen grote rookwolken vanaf.  Ik zie allemaal schreeuwende soldaten wegvluchten over de omgewoelde grond.                                                                                                                                                            

Dan is het stil.                                                                                                                                                        

Ineens rennen er soldaten langs me heen.

De vijand. Ik ben achter gelaten, schiet het door me heen. Ze zijn overal. Ik probeer me zo klein mogelijk te maken, maar er zijn toch een paar soldaten die me zien. Ze rennen naar de plek waar ik zit.

'Hort, Elid, ga naar de andere kant,' schreeuwt een van de soldaten. Ik let er niet op want ik probeer uit mijn plekje te komen. Ja, eindelijk los. Net voordat de soldaten er zijn ren ik weg. Weg van de soldaten. Ik ren langs tenten, karren en allemaal mensen die vluchten of vechten.                                                

Als ik bijna het kamp uit ben zie ik iets vreselijks.

Een massagraf. Hij is zo groot en er liggen al zo veel mensen in. De stapel wordt steeds groter en hoger. Ik probeer verder te rennen, maar het lukt niet. Het vreselijke beeld staat op mijn netvlies gebrand en heeft alle energie uit me gezogen. Ik strompel langzaam verder in een poging om weg te komen.                                                                           

Dan ineens beukt er iemand tegen me aan.

Ik wordt omvergekegeld  door een jonge soldaat. We rollen over de grond. Ineens weet ik wie dit is en snap ik het plan van de man die schreeuwde. Mij omsingelen. Maar dat betekent dat er nog een soldaat komt die niet ver weg kan zijn. Ik probeer terug te vechten, maar de soldaat is te sterk mij. Hij heeft de overmacht.

Hij draait me op mijn buik en bind mijn handen en voeten vast met een dik en gerafeld touw. 'En hoe moet ik dan lopen, 'zeg ik kattig. De soldaat, die nauwelijks ouder is dan een jongen kijkt me verbaasd aan en zegt dan schouderophalend: 'Ik til je wel.'

En dat doet hij. Hij legt zijn handen op mijn rug en onder mijn benen en tilt me zo op. Ik voel zijn hartslag in zijn gespierde armen en voel me zo ligt als een veertje. En net als hij mij in zijn armen heeft, komt Hort eraan. De andere soldaat.

Met zijn tweeën, en mij in Elid's handen lopen ze naar de voorraadwagens in hun eigen kamp. Ze brengen me naar een voorraadwagen met allemaal tentdoeken en zeilen. Ik schreeuw: 'help help', maar niemand luistert naar mij behalve de soldaten.                                                                                                            

Ze zeggen dat ik stil moet zijn en mijn handen bij de kar moet houden. Ze binden me aan een voorraadwagen vast en lopen weg.

Ik kijk om me heen en denk, ik moet ontsnappen. Maar wat kan een veertienjarig meisje als ik nou doen. Ik zie niets scherps waaraan ik me zou kunnen losmaken. Na een paar minuten geworsteld te hebben met het touw geef ik het op.

Dan komt er een dikke vrouw aangelopen met een kom soep en wat brood in haar hand. Ik ruik het eerder aan de geur dan dat ik het zie. Ze kijkt me niet eens aan als ze het aan me geeft. 'Ik dacht de je wel trek zou hebben,' zegt de vrouw. 'Ja, dank u.' antwoord ik.

Ik aarzel even, maar vraag dan zachtjes: 'Weet u wat er met me zal gebeuren?' Waarop de vrouw even nadenkt en dan zachtjes antwoordt: 'Ik denk dat je nu van de soldaten bent die je gevonden hebben.

Je zult waarschijnlijk allemaal klusjes moeten doen. Je hebt nog geluk gehad,' zegt de vrouw een beetje spottend. 'Gale en zijn mannen zijn de besten en het aardigst. Je had het slechter kunnen treffen.'

Maar ik begrijp het niet. Hoe kon ik het slechter treffen dan op het slechtste tijdstip in het kamp te zijn, mensen voor je ogen dood te zien gaan en tot overmaat van ramp ook nog eens gevangen genomen worden door soldaten en  hun slaaf zijn. Ik eet al het eten gretig op want, wie weet hoeveel ik nog krijg.                                                                                

Die nacht slaap ik ongemakkelijk. Mijn rug zit tegen de kar aan, en op de kar zit een soort uitsteeksel dat pijnlijk in mijn rug prikt. Als ik wakker wordt kijk ik om me heen en neem het kamp in me op. Eigenlijk ziet het er precies hetzelfde uit als het andere kamp, alleen netter.

Overal staan tenten, allemaal netjes in rijen. Het verschil tussen de tenten is dat deze tenten rood zijn en die andere grijs. Verder zie ik nog meer voorraadwagens, kooktenten en veldhospita. Ik zie ook dat er in het midden van het kamp een grote tent staat met een vlag erop. Die is vast van de kampleiding, denk ik.

Laterin de ochtend komen de twee soldaten me ophalen. Ze maken me van de kar los enHort tilt me op. Ze nemen me mee naar de rand van het kamp, waar hun tentjesstaan. Ze praten veel met elkaar en ze vertellen me dat ik nu bij hun hooromdat zij me gevonden hebben.

Ze vertellen mij ook dat de oorlog gestreden is,maar ik luister al lang niet meer. Ben ik nu weer hún slaaf?

You've reached the end of published parts.

⏰ Last updated: Mar 04, 2018 ⏰

Add this story to your Library to get notified about new parts!

JaneStories to obsess over. Discover now