Hoofdstuk I

16 2 0
                                        

Het is middernacht en ik sta in mijn kamer. Buiten bereidt het leger zich voor op een nieuwe verdedigingsaanval. Een lichtsalvo verlicht de ruimte en even kan ik de muurtekeningen zien. De muurtekeningen op de muren die mij gevangen houden. Bij een volgend lichtsalvo bekijk ik mezelf in de spiegel. Ik mag de kamer niet verlaten is me nadrukkelijk verteld, maar ik bereid me voor om dat alsnog te doen. Ik pak mijn pijlenkoker en kijk er in.
'17 pijlen,' zucht ik zacht en ik loop naar het raam. Als ik naar buiten kijk zie ik grondtroepen de kasteelmuren bestormen, we houden niet lang meer stand. Ik neem een besluit en loop naar de andere kant van de kamer. Met mijn oor leunend tegen de zware houten deur luister ik naar de geluiden op de gang. Of eerder naar het gebrek aan geluiden. Ik duw de deur voorzichtig open en met één oog spiek ik de gang op. Niemand te zien. Ik duw de deur verder open en steek langzaam een voet buiten de deur. Nog geen gebrul van een bewaker dat ik terug moet gaan zoals eerder op de avond wel het geval was. Ik sta nu volledig op de gang en kijk tegen een groot schilderij van één van mijn voorouders aan.
'Nee, het mag niet, maar het moet wel,' mompel ik schuldig tegen het schilderij.
Het is stom, dat weet ik, maar wat ik ga doen moet ik wel voor mezelf kunnen rechtvaardigen. Ik loop verder de gang in en schiet achter een pilaar als ik mannenstemmen mijn kant op hoor komen. De stemmen slaan een ander pad in en sterven langzaam weg. Ik strijk de zweetdruppels van mijn voorhoofd en slik een keer. Na een minuut of 2 heb ik mezelf herpakt en loop wederom de gang op. Na 15 jaar is het kasteel nog steeds een doolhof en ik sta aan het eind van de gang waar ik enkel links of rechts kan. Na even twijfelen besluit ik op goed geluk om rechtsaf te gaan en na een paar minuten bereik ik een grote, massief houten, dubbele deur. De deur is met goud beslagen en 2 grote, gekromde tanden aan weerszijden fungeren als klink. Ik pak de rechter vast, neem een diepe teug lucht, duw tegen de deur en steek mijn hoofd door de ontstane opening.

'Adara!' klinkt het een paar tellen later hard vanuit het midden van de zaal.
Ik krimp ineen, maar blijf staan.
'Waarom volg je geen bevelen op?'
Ik kijk mijn moeder aan en haar ogen spuwen vuur. Mijn vader komt tussenbeide.
'Elena, rustig maar,' probeert hij haar te sussen.
Ondanks dat haar ogen me geen moment loslaten, gaat ze langzaam zitten.
'Mam?' probeer ik voorzichtig.
'Adara, zitten!' snauwt ze me toe.

Ik heb een fantastische moeder, werkelijk waar, maar het is moeilijk om haar op dit soort momenten als moeder te zien. Ik zwijg en neem plaats op de grond. Nu pas kijk ik om me heen en snap ik waarom de gangen uitgestorven waren. Overal waar ik kijk zie ik mannen zitten, de een met nog grotere wonden dan de ander. Ik wend mijn blik weer tot het midden van de zaal waar een hoop gezichten missen en ik maak me zorgen. Mijn moeder heeft nu geen tijd om me een preek te geven en voor het eerst vervloek ik de oorlog niet. Ik hoor haar bevelen uitdelen en wanneer de laatste mensen zich naar buiten haasten, loopt een jonge vrouw naar mijn moeder toe. 'Mam,' hoor ik haar zeggen. Mijn hart maakt een sprongetje en ik draai mijn hoofd met een ruk om. Ik wil opstaan, maar er wordt een hand op mijn schouder gelegd. Ik kijk op en zie mijn vader naar het schouwspel voor ons kijken. Ik kijk toe hoe mijn moeder haar handen op de schouders van mijn zus legt en haar op beide wangen een kus geeft. Buiten klinkt een brul. Mijn moeder kijkt mijn zus doordringend aan en zegt: 'Haast je.'
Mijn zus kijkt om zich heen en haar blik blijft op die van mij rusten. Ze loopt met snelle passen op me af en pakt me bij mijn bovenarm vast.
'Snel, meekomen!' gromt ze en ik volg haar op de voet.

Eenmaal buiten worden we overvallen door een oorverdovend kabaal. Alles om ons heen staat in lichterlaaie en ik vraag me af van welk leger het vuur afkomstig is. Ik speur de hemel af met mijn ogen en hoe minder ik zie, hoe wanhopiger ik word. Ik kijk toe hoe mijn zus op haar fluit van een uitgeholde tand blaast. Een paar tiental meters klinkt een brul en een handjevol mensen wordt de lucht in geslingerd. In het licht van de vlammenzee lijken de vlammen te dansen in de ogen van mijn zus als ze me doordringend aan kijkt.
'We kunnen niet lang meer stand houden, maar Eowýn zal je in veiligheid brengen,' zegt ze met een harde stem. Een groot stuk brandend steen landt slechts een paar meter bij ons vandaan en ik kan nog maar net opzij springen. Ik kijk angstig om me heen en zie mijn zus met grote ogen op de grond geknield zitten. Ik snel naar haar toe en kniel naast haar. Er klinkt een harde dreun, maar ik negeer het.
'Enola..' zeg ik, maar ik word onderbroken door het gedreun dat steeds dichterbij komt. Ik draai mijn hoofd en zie hoe Eowýn zich een weg baant door de vijandelijke troepen.
Haar lange, donkerrode staart zwiept van links naar rechts en gooit vijandige troepen de muur over terwijl ze op ons af komt. Uit haar neusgaten komt rook en met een laatste brul spuwt ze vuur naar de laatste manschappen die tussen haar en ons in staan.
Ik kijk terug naar Enola en schrik. Haar hand klemt zich om haar middel, maar het bloed sijpelt langs haar vingers op haar jurk gemaakt van schubben. Met haar laatste kracht heft ze zich iets omhoog, kijkt me nog een laatste keer doordringend aan en zegt zacht: 'Thirís.'
Ze duwt me van zich af richting Eowýn.
'Nee!' schreeuw ik, vechtend tegen de tranen. Ik voel handen die me op de rug van Eowýn tillen, maar ik krijg er weinig van mee. Met een paar krachtige slagen van haar vleugels vliegen we naar boven, buiten het bereik van de wapens die mijn thuis verwoesten. Zo lang als ik kan probeer ik Enola te blijven zien, maar langzaam verdwijnt ze uit het zicht.
Ik veeg een traan weg die zich langzaam van mijn wang laat glijden en kijk naar de horizon, niet wetende waar Eowýn naar toe vliegt. Overal op de grond is het een vlammenzee en de mensen rennen rond als een kolonie mieren.
'Waarom?' vraag ik mezelf zachtjes af en terwijl ik hierover probeer na te denken, val ik langzaam in slaap op de rug van mijn zus haar draak.

ThirísStories to obsess over. Discover now