Het is donker, heel donker en ik voel de stilte door heel mijn lijf zinderen. Zelfs de nachtelijke geluiden zijn nergens te bespeuren, enkel stilte en mijn zwakke ademhaling. De angst voor het onmogelijke settelt zich diep in mijn wezen. De angst voor het onmogelijke, want wat als het onmogelijke nu mogelijk was? Wat als het onmogelijke zijn eigen weg vindt en tot uiting komt in deze donkerte. Deze zwarte, akelige, alles omhullende duisternis. De stilte zindert verder terwijl ik mezelf met men eigen gedachten nog meer angst aanjaag. Fluisterstemmen vormen een draaikolk van gedachten en zuigen mij mee in hun psychotische geraaskalk. Nerveus bal ik mijn handen in vuisten en kijk ik om me heen. Nee, nee hij is er niet, ik ben veilig, ze heeft me belooft dat hij me hier niet kan vinden. Gezworen dat niemand van deze plaats wist, buiten zij. Twijfels en zorgen winden zich als een web om me heen. Een luide knal weerklinkt en de zinderende stilte stopt. Verstijfd blijf ik zitten terwijl mijn hart in overdrive gaat. Voetstappen weerklinken en ik houdt men adem in. Nee, nee, nee dat kan niet nee. Ze heeft het toch beloofd? Niemand wist iets? De voetstappen komen dichterbij, stoppen en dwalen weer af. Dit gebeurt herhaaldelijk en wanneer ik niets meer hoor durf ik weer te ademen. Het ademtekort zorgt ervoor dat ik in een hoestbui terecht kom. De hoestbui echoot door heel de kelder en zet zijn weg verder door heel het gebouw. Hierna gebeurt alles in een stroomversnelling en voor ik het weet bevind ik me in een houdgreep op de grond. Mijn gezicht tegen de smerige vloer van de kelder geduwd terwijl hij met zijn hele gewicht op me leunt. Longen vullen zich maar half met lucht en tranen wellen in mijn ogen op. Hij zegt niets, natuurlijk zegt hij niets, hij zegt nooit iets. Zijn knokige handen zoeken zich een weg over mijn lichaam en ik knijp men ogen toe. Met een snok trekt hij me recht en draait hij mij om, verschrikt kijk ik op en zie zijn ijsblauwe ogen vol verrukking glinsteren. Hij weet dat ik niets kan doen, weet dat hij mij in zijn greep heeft en kan doen wat hij wil. Zijn vuist raakt men gezicht en ik bons hard tegen de stenen muur. Ruw neemt hij mijn arm vast en sleurt hij mij mee de trap op. In mijn verwarde staat biedt ik niet veel protest en laat ik me meenemen. Hij gooit me hard op een oude rode sofa en verlaat de kamer, maar niet voor hij mij een laatste blik toewerpt. Een blik gevuld met haat, die blik is genoeg om me op mijn plek te houden en alle plannen van vluchten te doen verdwijnen. Ik sluit mijn ogen en laat de stilte over me heen vallen, beseffend dat de angstgedachten die eerst onwerkelijk leken nu realiteit zijn. Hij komt de kamer weer binnen, stopt een paar meter van mij en kijkt me onderzoekend aan. Ik ben me bewust van elk detail, elk geluid in de kamer en me nog het meest bewust van hem. Van de sadistische grijns die om zijn lippen speelt, tot die ene moedervlek net onder zijn wenkbrauw die me even afleid van zijn doodse ogen. Hij blijft staren, blijft kijken en ik wacht angstvallig af, de seconden tikken voorbij tot ze overgaan in minuten en even lijken stil te staan. Spelen, hij wilt spelen. Ik ben de prooi en hij de jager, het wachten is alleen maar om het proces voor hem nog leuker maken. Want wat is er nu aan martelen en doden voordat je eerst langzaam alle angst in je prooi naar boven hebt gehaald en dan vakkundig alle hoop hebt wegwerkt, tot op de laatste snipper. Wanhoop maakt zich meester van me en ik schiet als een pijl op de deur af. Over mijn voeten struikelend, rennend langs de mahonie salontafel en net voor ik de deur bereik wordt ik weggerukt en tegen de muur met bloemetjesbehang geduwd. Zijn hand om mijn hals, vakkundig mijn luchtpijp versperrend terwijl hij mij zonder emotie aanstaart. Ik krijg steeds minder en minder lucht en even hoop ik dat hij mij zo'n snelle dood zal laten sterven. Dat was mijn fout, hopen. De hand valt weg en ik wordt tegen de mahonie salontafel geslingerd en de eerste druppel bloed valt. Bloed zo rood als de lippen van sneeuwwitje op de vloer en mijn wazige blik die over de kamer glijdt. Ik blijf hangen bij de luster en kijk glimlachend naar de brandende kaarsen. Eén druppel kaarsvet die naast mijn druppel bloed op de vloer valt en een stekende pijn die ik bijna niet waarneem. Ik bevind me in een delirium en focus me alleen nog maar op de kaarsen en het kaarsvet dat naar beneden druppelt. Voor ik het weet sluit ik mijn ogen en omarm ik de duisternis waar ik eerst bang voor was.
De restanten een doods lichaam en een houten vloer, nu even rood als de oude sofa.
YOU ARE READING
De Rode Sofa
HorrorBloed zo rood als de lippen van sneeuwwitje op de vloer en mijn wazige blik die over de kamer glijdt.
