Evangeline ging de roodgebloemde rugzak beter over haar schouder en draaide zich om. Dit zou de laatste keer zijn dat ze in dit huis zou zijn. Caine stond buiten op haar te wachten, dus ze moest zich een beetje haasten. Er lag een brief op tafel, met veel tekst. Het was Evangeline's afscheidsbrief.
Beste Sam en Astrid,
Om te beginnen moet ik met spijt zeggen dat ik en Quinten het bos vanmiddag in zijn geweest. We voelden ons oud genoeg om op avontuur uit te gaan, niet wetend wat ons te wachten stond. Het spookt er, iets klopt er niet. Ga er niet heen. Maar daarbij, Quinten is dood. Hij is aangevallen door de monsters, hij daagde ze uit. Ik heb het zien gebeuren. En de monsters hadden mij ook bijna te pakken. Caine, een jongen hier uit de buurt, heeft me op tijd gered. Maar ik wil weg uit deze buurt. Alles doet me nu denken aan de monsters, en aan Quinten. Het doet me pijn, en het maakt me bang. Caine heeft voorgesteld om voor me te zorgen, hij heeft gezien hoe slecht ik er aan toe ben. Ik heb mijn spullen al gepakt. Tenminste, alles wat ik nodig heb. Jullie zijn niet mijn biologische ouders, maar toch zal ik jullie nooit vergeten. Ik heb een geweldige jeugd gehad, maar ik moet weg hier. Niemand zal me geloven als ik ze zou vertellen over het bos. Waarschijnlijk geloven jullie me ook niet, maar ik weet zeker dat alles wat ik zag echt was. Quinten's ogen waren pikzwart, dus ik weet zeker dat hij niet zomaar gestorven is. Ik zal hem missen. Heel erg. Ik zag hem als een echte broer, ook al woonde hij nog niet zo heel lang bij ons. Het spijt me dat ik nu ook weg ben, maar het kan niet anders. Ik moet weg van het bos. Ik kan er niet tegen. Er is teveel gebeurt in één dag, en ik kan het zelf ook niet meer bevatten. Ik zal op een dag nog wel contact zoeken, maar ik moet eerst tot mezelf komen, en rust gevonden hebben met mezelf. En ik hoop dat Caine me daarbij gaat helpen. Hij is een lieve jongen, hij heeft voor me gezorgd toen de monsters mij aanvielen. Hij heeft ze weggejaagd. En hij is geen moment bij me weggebleven. Ook al ken ik hem pas sinds vanmorgen, ik kan niet anders dan denken dat hij goed voor me zal zorgen, en er voor me zal zijn als ik hem nodig zal hebben. Ik hoop dat jullie het begrijpen. Nee, ik ben niet gek geworden. Of misschien wel, maar dat in het bos was echt. Ik heb het niet verzonnen. Quinten's lichaam ligt er nog. Het ligt er vredig; ogen gesloten, armen op zijn borst, benen naast elkaar, en een glimlach op zijn gezicht. Ik zou het niet aanraden om erheen te gaan, maar als jullie hem willen zien, of hem willen begraven, dan weet je waar je hem kunt vinden. Blijf niet te lang in het bos, ik wil niet dat jullie ook bezeten worden door de schaduwen die er rondzweven. Hoewel jullie me niet meer zien, beloof me dat jullie goed uitkijken voor het bos, en dat jullie goed zorgen voor jullie zelf. Ik ga nu, ik heb al mijn spullen bij elkaar, en Caine staat op me te wachten. Ik zal jullie heel erg missen, en het huis ook. Ik hoop dat jullie mij vergeven, en jullie doorgaan met jullie leven.
Kusjes, Evangeline.
Evangeline las de brief nog een laatste keer door, maar ze wist precies wat erin stond. Ze pakte de blauwgroene sporttas van de grond, die gevuld was met kleren, en daarmee liep ze naar de achterdeur. Ze zuchtte eventjes en liep vervolgens het huis uit. In haar hand hield ze een klein fotootje, van haar, Sam, Astrid, en Quinten. Hij was genomen toen ze op een dag naar het strand waren geweest. Alle vier zagen ze er gelukkig uit. Maar sinds het afgelopen jaar hadden Sam en Astrid wat vaker ruzie, en waren Quinten en Evangeline alleen. Ze kon het geruzie al bijna horen, over hoe onverantwoordelijk de ander was geweest, en dat het de schuld was van de ander dat Evangeline weggelopen was. Ze beet op haar lip en liep naar Caine toe.
'Ik ben klaar.' zei ze zacht en hij draaide zich glimlachend om.
'Mooi,' zei hij. 'Dan gaan we."
Hij pakte de rugzak van haar over en de sporttas hing hij over zijn schouder. Evangeline pakte voorzichtig zijn hand en samen liepen ze richting de grote weg, waar een busstation was. Ze zouden met de bus naar het huis van Caine gaan, waar ze zijn spullen zouden pakken, en een nachtje zouden blijven slapen. En dan zouden ze de rest van vandaag de tijd hebben om te bedenken waar ze heen zouden gaan. Want dat hadden ze nog niet bedacht. Het liefst wilde Evangeline dat het een verrassing was, maar dat was natuurlijk ook niet helemaal fijn. Caine ging meteen zitten op het enige stoeltje in het bushokje, maar toen hij Evangeline zag staan, begon hij toch te twijfelen.
'Wil jij niet zitten?'
Evangeline schudde haar hoofd.
'Nee, ik sta wel goed.' Haar stem klonk zacht, alsof ze elk moment in huilen uit kon barsten.
'Hey, kom eens hier.' zei Caine en toen Evangeline bij hem stond, trok hij haar bij hem op schoot. Hij legde zijn armen om haar heen en glimlachte.
'Het komt wel goed.' zei hij en drukte zijn lippen kort op zijn wang. Er verscheen meteen een glimlach op het gezicht van Evangeline, en daardoor voelde Caine zich wat beter. Ook bleef Evangeline rustig zitten, en legde ze haar hoofd op de schouder van Caine. Ze was moe, uitgeput van al het gedoe van de dag.
Na ongeveer tien minuten kwam de bus. Caine droeg de tassen en toen ze eenmaal binnen waren, betaalde hij ook twee buskaartjes, één voor Evangeline, en eentje voor zichzelf. Ze namen plaats op een van de plekken achterin, en de tassen stonden naast ze in het gangpad. Evangeline had haar hoofd op Caine's schouder liggen en de bus vertrok. Ze hadden de weg kunnen lopen, maar met de tassen zou het niet werken, en ze waren al uitgeput. Dus had Caine besloten een deel van zijn geld uit te geven aan een buskaartje, zodat ze sneller bij zijn huis zouden zijn.
De bus stopte, en Caine pakte snel de tassen van de grond. Er was gedurende de weg niemand in de bus bijgekomen, wat best opvallend was. Maar ze lieten het zoals het was en liepen de bus uit. Toen ze de bus uitstapten, zag Evangeline het gezicht van de buschauffeur. Hij keek recht in haar ogen, en tot haar grote verbazing waren ze pikzwart, net als Quinten's ogen waren. Ze pakte Caine's arm beet, bang, en hij keek haar verbaast aan.
'Zijn ogen!' fluisterde ze zacht, met een hoog stemmetje. 'Ze zijn zwart.. Zwart, net als die van Quinten.'
Caine keek eens goed, maar het enige wat hij zag, waren twee normale, blauwe ogen. De chauffeur keek hem onschuldig aan, en hij glimlachte even kort naar hem. Misschien had Evangeline het zich verbeeld, door alle gebeurtenissen van de dag, maar het zou ook kunnen zijn dat het echt was. Dat de schaduw zich alleen maar liet zien aan Evangeline, om angst te zaaien. Caine sloeg zijn arm om haar heen, en hij hield haar dicht tegen zijn lichaam aan. De bus sloot zijn deuren en reed weg.
'Hij is weg,' mompelde Caine. 'Rustig maar.'
Ze liepen aan de zijkant van een brede weg, en af en toe raasde er een auto voorbij. Caine droeg beide tassen, en hield daarbij ook nog eens Evangeline's hand vast. Hij merkte dat Evangeline zich niet lekker voelde, moe was, en natuurlijk ook bang. Dus Caine voelde zich bijna verplicht om haar hand vast te houden. Hij wist dat ze er bijna waren, dus liep hij stevig door. Hij merkte dat Evangeline er moeite mee had, maar hoe eerder ze bij hem thuis waren, hoe beter. Het pegon zacht te regenen en de regen vormde kleine druppeltjes in Caine en Silver's haren. Het gaf een kalmerend gevoel, ook al werd het er donkerder door.
Ineens zakte Evangeline in elkaar. Ze bleef liggen op de grond en sloot haar ogen voorzichtig. Ze was niet dood, of zelfs flauwgevallen, maar toch was Caine meteen bezorgd.
'Kom eens omhoog..' zei hij zacht. Evangeline opende haar ogen, maar keek hem vermoeid aan. Ze reageerde niet. Caine merkte dat ze moe was en boog voorover.
'We zijn er bijna.' fluisterde hij en hij glimlachte. Vervolgens pakte hij haar op en drukte een kusje op haar voorhoofd.
'Dan kun je slapen.' Caine glimlachte en liep langs de weg naar zijn huis. In de verte zag hij al ergens een paar huizen, en gelukkig behoorde zijn huis er toe.
Hij begon iets sneller te lopen en al snel stonden ze voor zijn deur. Hij zette Evangeline neer op de overdekte veranda en haalde de voordeur van het slot. Hij gooide de deur open, legde de tassen op de vloer, en tilde vervolgens Evangeline het huis in. Hij legde haar neer op de bank, en pakte een fleecedekentje, die hij over haar heen legde. Caine glimlachte toen Evangeline haar ogen sloot, en langzaam in slaap viel.
YOU ARE READING
Nightmares.
Teen Fiction"In een ruk zat ik overeind. Er viel een klein straaltje licht in de kamer, het gordijn liet een heel klein beetje licht door. Ik voelde hoe mijn adem iets rustiger werd. Mijn voorhoofd was nat, en mijn haren plakten tegen heel mijn gezicht. De deke...
