Kleine regendruppeltjes storten met razend tempo in het gras. Ik sluit mijn ogen en staar omhoog. Hijgend van het harde rennen val ik neer op het gras. Ik ben nog nooit zo moe geweest. Nog steeds stromen bittere tranen onophoudelijk over mijn wangen heen. Hoe heb ik dit laten gebeuren?
Uit gewoonte tel ik de secondes tussen de donder en de bliksem en voor een onverklaarbare reden kalmeert het me.
'Ik moet terug' fluister ik hardop 'Ik kan hem niet alleen laten. Ze gaan hem vermoorden'
Gesmoorde snikken verlaten mijn lippen. Maar door het gekletter van de regen kan ik mezelf amper horen. De hele dag heb ik het ingehouden. Nu kan het. Niemand kan me horen
'Miran Hunter' klonk het gesmoord '17 jaar. Scherpschutter squad 12'
Het waren de woorden die me maken wie ik ben. De woorden die me zekerheid en zelfvertrouwen gaven. Woorden die me lieten geloven dat ik niet alleen was. Een misselijk glimlachje verscheen op mijn gezicht. Wat was ik dom.
Ik sta er alleen voor. Ik moet terug. Ik kan hem niet laten stikken.
'Miran'
Een bekende stem.
'Ben jij dat?'
Vol schaamte draai ik me om. Hij mag nog wel de persoon zijn die ik op dit moment even veel haat als mezelf maar ik weet dat ik dit niet in mijn eentje aan kan. Zo zwak ben ik wel. Zonder dat ik het wil wacht ik op zijn troostende armen die me zullen tegenhouden. Wacht ik op de woorden die me laten geloven dat alles weer goed komt.
'Kom' zegt hij en gaat met zijn hand door mijn haar heen. 'Het is goed. We gaan naar huis'
