Hoofdstuk 1

575 9 3
                                        




De wekker trilde zacht op zijn nachtkastje. Niet hard genoeg om iemand anders wakker te maken, maar wel genoeg om door zijn dunne kussen heen te voelen.
Matthy opende zijn ogen langzaam, alsof zijn wimpers aan elkaar geplakt zaten. Zijn kamer was nog half donker; alleen een kleine streep ochtendlicht gleed onder het gordijn door en viel precies op zijn voeten.

Hij bleef even liggen, luisterend naar zijn eigen ademhaling.
In. Uit.
Steeds iets sneller dan hij wilde.

Zijn pompje prikte lichtjes tegen zijn middel. Een subtiele herinnering dat hij niet kon opstaan zonder eerst te checken hoe het ervoor stond.
Hij draaide zich op zijn rug en klikte het schermpje aan.

Suiker te laag.
Niet rampzalig laag, maar laag genoeg om zijn maag te laten protesteren.
Alsof zijn lichaam hem wilde uitschelden: je hebt me weer niets gegeven, gast.

Hij slikte. De dorst in zijn keel voelde alsof hij de hele nacht in een woestijn had geslapen.

"Rustig," fluisterde hij tegen zichzelf. Zijn stem was een schor kraakje.
Hij zette zich rechtop, iets te snel, waardoor er zwarte vlekken voor zijn ogen dansten. Hij wachtte tot ze weg trokken, duwde zijn haar uit zijn gezicht en stond op.

Zijn kamer was klein en kaal. Er stond een bed, een kast, een bureau met een stoel waar een poot van wiebelde. Het rook naar oud stof en iets metaalachtigs van zijn pompbenodigdheden. Op de muur hing nog één poster — de Bankzitters — een beetje scheef omdat de tape aan één hoek was losgelaten.

Hij keek er een seconde naar.
Even voelde het licht.
Heel even.

Dan ging hij verder.

Hij trok zijn trui aan — de mouwen waren iets te kort — en stapte in zijn spijkerbroek. Zijn sokken waren mismatched maar hij had geen energie om te zoeken naar een tweede paar dat wél bij elkaar paste.
Hij haalde diep adem, pakte zijn tas van de grond en controleerde nog één keer of het pompje goed vast zat.

Zijn maag rommelde opnieuw. Harder dit keer.
Hij drukte een hand over zijn buik, alsof dat iets zou dempen.
Niks aan te doen, dacht hij.

Hij opende zijn deur zo zacht mogelijk. De trap kraakte, zoals altijd. Matthy liep op zijn tenen, alsof hij de vloer kon overtuigen om stil te blijven.
Het werkte niet.

Beneden hoorde hij stoelen schuiven, de waterkoker die klikte, korte zuchten — het soort geluiden die lieten weten dat zijn ouders al wakker waren. Niet per se een goed teken.

Toen hij de keuken binnenkwam, voelde het alsof de temperatuur meteen daalde.
Zijn moeder zat aan tafel met haar telefoon. Ze tikte snel, geïrriteerd, alsof het toestel fout was in plaats van wat ze typte.
Zijn vader keek naar het raam, niet echt naar buiten maar gewoon... weg.

Matthy zette één stap dichterbij.
"Goedemorgen," zei hij zacht.

Het bleef stil.

Hij had nooit precies geleerd waarom het stil bleef.
Het was gewoon zo.

Hij liep naar het aanrecht, opende de broodtrommel op een bijna onhoorbare manier en wilde net een boterham pakken toen de stem van zijn moeder door de keuken sneed.

"Laat dat."

Hij trok zijn hand onmiddellijk terug.
Alsof hij iets heet had aangeraakt.

"Maar ik—"

"Nee. Heb je niet nodig."
Ze keek hem niet aan. Haar ogen bleven vastgelijmd aan het scherm in haar hand.

Matthy's adem stokte even.
"Ik heb... ik moet eten. Voor school."
Zijn stem klonk dun, alsof hij zichzelf moest overtuigen dat het waar was.

Zijn vader draaide zich een paar centimeter, genoeg om irritatie te laten zien.
"We gaan niet in discussie," zei hij met die lage, vlakke toon waar nooit ruimte in zat. "Je doet moeilijk om niks. Gewoon gaan."

Matthy voelde zijn wangen warm worden. Niet van boosheid — boosheid was een luxe die hij zich al lang niet meer kon veroorloven — maar van iets dat dichter bij schaamte zat.

Zijn pompje piepte zacht. Eén piepje. Een waarschuwing.
Hij kneep het snel met zijn hand af, hopend dat niemand het hoorde.

Zijn moeder keek eindelijk op, en precies naar dat pompje.
Haar ogen rolden.
"Je hebt dat ding ook altijd als excuus, hè," zei ze.

Matthy wilde antwoorden.
Hij wilde zeggen dat het geen excuus was, dat hij echt iets nodig had, dat hij niet expres zo veel werk was.
Maar zijn keel bleef dicht.

In plaats daarvan knikte hij gewoon.
Knikkend alsof hij begreep.
Knikkend alsof het zijn fout was.

Hij pakte zijn jas van de kapstok. De rits was kapot, dus hij moest 'm dicht houden met zijn handen als het koud was. Zijn tas voelde licht — te licht — en dat herinnerde hem eraan dat hij geen drinken, geen eten, geen noodsnack mee had.

Zijn pompje piepte opnieuw.
Hij deed alsof hij het niet hoorde.

Bij de voordeur stopte hij even.
Hij luisterde.
Niets.
Alsof hij al vergeten was nog voor hij weg was.

Hij opende de deur en stapte naar buiten.
De lucht beet koel in zijn gezicht, maar dat was tenminste eerlijk. Koud was koud. Geen verborgen mening.

Hij sloot de deur zachtjes achter zich.
Zijn benen voelden slap, licht trillend. Hij wist dat hij dat gevoel kende: lage suiker, stress, of allebei.
Waarschijnlijk allebei.

Met zijn hand tegen zijn zij, boven het pompje, begon hij te lopen. Niet snel. Gewoon genoeg om weg te komen van het huis zonder het te laten lijken alsof hij vluchtte.

De straat lag er stil bij.
Een paar auto's, een vogel op een dakrand, het geluid van een deur ergens verderop die dichtviel.
Matthy ademde diep in en liet de kou zijn longen vullen.

Oké, dacht hij. Het is maar één dag. Gewoon volhouden. Je hebt dit vaker gedaan.

Zijn pompje gaf één laatste trillende waarschuwing.
Hij drukte zijn hand er steviger op.

"Alsjeblieft," fluisterde hij. "Doe normaal vandaag."

Hij hoopte dat zijn benen sterk bleven tot hij bij school was.
Hij hoopte dat niemand iets merkte.

Hij hoopte vooral dat hij niet flauw zou vallen in het zicht van iedereen.

Hij liep verder.
De ochtend lichtte langzaam op.
Zijn hoofd niet.

Gaat het echt wel zo goed met hem?Verhalen om door geobsedeerd te raken. Ontdek het nu