1.

365 25 183
                                    

Tijdens het leven vreesde ik de dood, maar toen ik stierf, besefte ik dat er niets te vrezen viel. De dood was een zoete bevrijding, het touw om mijn nek maakte een eind aan mijn tranen en mijn pijn.

Ik wist zeker dat alles eindelijk voorbij was.

Dus waarom viel er licht in mijn ogen?

De oneven grond waar ik op zat, duizelde dubbel in mijn zicht toen mijn ogen langzaam opengingen. Water had zich gevormd in de groeven van de natuurlijke grond. Mijn zwarte haren lagen voor mijn gezicht en kriebelden mijn neus, maar ik had geen energie om mijn hand omhoog te brengen en mijn dode lokken weg te vegen.

'Goe...' Mijn ogen sloten zich weer toen mijn oren weer geluid oppikten, dit moest vast een nachtmerrie zijn. Het waren vast weer de stemmen van de Dood. Het enige wat ik wilde was rust, ik was moe.

De stem praatte door, maar ik vertelde mijzelf dat ik niks hoorde. De verdovende pijn in mijn nek vertelde me echter dat alles echt was. Dat ik nog niet dood was en dat was iets wat ik niet zou accepteren.

Twee ruwe vingers grepen mijn kaak vast en kantelden mijn hoofd naar achteren. Wat kouds drukte tegen mijn onderlip waarna een vloeistof mijn mond vulde. Verward wrikte ik mijn ogen open, maar mijn troebele zicht kon me weinig vertellen. De vloeistof verzachtte de brandende pijn in mijn mond, het gaf me een moment van warmte, dat ik dat gevoel nog herkende, verbaasde me. De warmte nam af en al mijn zintuigen begonnen langzaamaan op te starten.

'Ben je een beetje wakker, Athea?' De woorden kwamen binnen, maar de gedachte dat ik misschien nog leefde overweldigde me. Loom nam ik mijn omgeving in mij op, er waren tralies die mijn ruimte scheidde van de andere hokken die elk gevuld waren met een persoon. Het was net een kerker. Een zware schakel rond mijn linkerpols zorgde ervoor dat mijn hand niet van de grond kwam. Kon deze plek een resultaat zijn van mijn verbeelding, een nachtmerrie die ik zelf had gemaakt? Een kerker betekende namelijk niets goeds.

Een man liep mijn cel binnen, zijn aanwezigheid hing zwaar in de lucht. De blauwe toortsen buiten de cellen gaven hem een mysterieuze gloed. Twee andere gestaltes stonden achter hem, klaar met een harnas en een speer die van spierwitte botten waren gemaakt. De man kwam dichterbij, zijn cape met grote zwarte veren sleepte achter hem over de vochtige grond. Een kroon gevlochten met doornen was op zijn hoofd gezet, maar zijn lichaam was bedekt door zwart gewaad. Zelfs zijn gezicht was verborgen achter een zwarte sluier die bij begrafenissen werden gedragen. Maar de houding en het postuur van hem schreeuwde dat hij iemand was met aanzien.

'Goedendag Athea, ik ben Untar, God van de Dood.' De man zette zijn hand op zijn linkerborst en boog kort naar me, alsof ik de belangrijke persoon was van ons twee. 'Je hebt vast veel vragen, maar probeer je energie te besparen. Je hebt lang geslapen, dus probeer gewoon te luisteren, begrijp je me?' De man klonk attent, maar een slecht gevoel nestelde zich in mijn onderbuik. Niemand was aardig tegen me zonder dat ze iets van me wilden.

'Begrijp je me?' Zijn toon eiste dat ik moest antwoorden. Ik knikte zwakjes, vechtend tegen de neiging om mijn ogen weer te sluiten en terug te gaan naar mijn slaap.

'We zijn momenteel in Qaeriah, het huis voor de doden, maar zoals je ziet ben je nog niet dood, ik heb je ziel in je oorspronkelijke lichaam bewaard, in plaats van vrijgelaten. Je hebt namelijk iets waar ik geïnteresseerd in ben, jouw talent...' De man ging op een knie zitten zodat we elkaar beter konden aankijken. Untar was geïnteresseerd in mijn talent, zoals elk ander persoon. Mijn ogen sloten zich, in de hoop dat hij me niet meer zou aanspreken, dit is juist waar ik bevrijd van wilde worden.

De stem ging doodleuk verder op een geduldige toon. 'Je bent nog steeds beroemd in Xiera, ze noemen je nu de zwarte lelie van het slagveld, wist je dat?'

Vergeten toornWaar verhalen tot leven komen. Ontdek het nu