Samenzwering

5 0 0
                                        

‘Nog even, dan is het einde in zicht. Het einde der tijden. Het moment waar we allemaal ooit voor op deze aardbol zijn gezet. Het moment waarop we worden vernietigd. Het einde van de mensheid.’ Haar stem klinkt bezeten aan de andere kant van de lijn.
‘Margriet, niet doen!’
Maar ik ben al te laat.

Een zonnestraal strijkt neer op mijn gezicht. Het leven is goed. Sinds ik mezelf heb aangesloten bij de gelovige gemeenschap in het dorp voel ik me geaccepteerd. Eindelijk voel ik me thuis in het dorp dat al meer dan dertig jaar mijn thuishaven is. Margriet sluit de gordijnen en trekt haar gebreide truitje recht. ‘Wil je nog wat thee?’ Ik werp haar een vriendelijk glimlachje toe en schud mijn hoofd. ‘Nee, dankje.’

Rennen, rennen, rennen. Ik ren de benen uit mijn lijf. Mijn longen branden en mijn hoofd bonkt, maar ik moet blijven rennen. Schaduwen achtervolgen me, slaan hun duistere armen om me heen en trekken me met grof geweld tegen de vlakte. Terwijl ik tegen het beton smak, hoor ik in de verte een harde knal.
Is ze het?
Mijn lichaam begint te beven en mijn ogen worden vochtig. Ik kan haar niet verliezen, ik mag haar niet verliezen. Niet zoals ik mezelf verloren heb in het eindeloze zoeken naar wie ik ben.

‘We zijn de enigen die nog over zijn, de harde kern,’ spreekt Margriet terwijl ze zichzelf thee inschenkt. Ze roert wild met het lepeltje door het porseleinen kopje, terwijl ze haar thee helemaal niet met suiker drinkt. Onverschillig haal ik mijn schouders op.
‘Angst wint het vaak van gezond verstand.’

Het beton voelt koud tegen mijn wang. Ik vecht tegen mijn tranen maar ze blijven over mijn wangen stromen. Het duister laat me niet met rust, blijft voor mijn ogen dansen alsof het wacht tot ik op sta en probeer te ontsnappen.
Maar ik kan het niet.
Mijn lichaam voelt versteend en mijn hart klopt zo hard dat het lijkt alsof het uit mijn borstkas dreigt te springen. Ik had moeten gaan.
Nu is het te laat.

‘Dit kunnen we toch niet maken!’ buldert Frank. Ik geloof dat zijn stem nog nooit zo hard heeft geklonken. Margriet steekt verontwaardigt haar hoofd het hoekje om. In haar hand draagt ze een ouderwetse thermosfles met kamillethee. ‘We kunnen niet meer terug, Frank. Niet na alles wat we hebben gedaan.’ Terwijl ik de woorden uitspreek wordt de frons op Franks voorhoofd groter. Hij slaat met zijn vlakke hand op de tafel. ‘Jullie zouden jezelf eens moeten horen, stelletje mafkezen! Jullie zijn gestoord!’ Frank slaat zijn armen over elkaar en kijkt me ontdaan aan. ‘Bekijk het maar, ik doe hier niet aan mee.’ Hij heeft de woorden nog niet uitgesproken of de voordeur valt met een harde klap dicht.
We zijn met zijn tweeën. Margriet en ik.

‘Oke, luister heel goed.’ Margriets stem klinkt angstaanjagend kalm terwijl ze een plattegrond van het paleis op de Dam uitvouwt. Haar tengere vinger tikt tegen het papier. ‘Hier zullen ze staan, met beveiliging en al.’ Kort kijkt ze naar mij, vervolgens naar Frank die wat ongemakkelijk op zijn stoel zit te schuifelen. ‘De bedoeling is dat we voor de twee minuten stilte zo dichtbij mogelijk bij de koning komen. Zodra de trompetten ophouden, slaan we toe.’
‘Margriet, weet je zeker dat…’ Margriet laat Frank niet uitspreken. ‘Ja, en jij zou dat ook moeten zijn. We vertrouwen op de Heer, hij zal ons vergeven. We moeten het doen, het is zijn wil.’ Ik kan zien dat Frank twijfelt.
‘Doen wat God verboden heeft kan nooit zijn wil zijn, Mar.’ Margriet zucht geïrriteerd en vouwt de plattegrond weer op.
‘Ik ga thee zetten.’

Voetstappen naderen in grote getallen. Een felle lamp wordt in mijn ogen geschenen waardoor ik niet kan zien wie me overeind trekt.
‘Je hebt het recht om te zwijgen. Alles wat je zegt, kan tegen je worden gebruikt.’ Bruut worden mijn armen achter mijn rug gedraaid en vastgezet. Ik kan geen kant op en voel dat ik het steeds benauwder krijg.
God, help me alsjeblieft.

Met betraande ogen lig ik op het harde bed in mijn cel. Twee armen hijsen me omhoog en helpen me mijn cel uit. Ik voel hoe het leven uit mijn lichaam stroomt en in mijn hoofd hoor ik nog steeds de oorverdovende knal en het gegil van de mensen in de verte. De onbekende handen leiden me naar een afgesloten ruimte, waar een man met een grote snor aan een tafel zit.
‘Wie is Margriet Vermeulen?’ vraagt de besnorde man wanneer ik me op de stoel tegenover hem laat zakken. Bij het horen van haar naam gaan mijn haren recht overeind staan.
Mijn handboeien maken mijn armen zwaar, laten mijn hele lichaam zwaar voelen. Even lijkt het alsof ik als een kaartenhuis in elkaar stort, maar dan kijk ik langzaam op naar de man met de snor.
‘Mijn moeder.’

Verhalenbundel Writing AwardsWhere stories live. Discover now