Chapter 2

230 9 3
                                        

Hoofdstuk 2

Het is warm buiten. Een klein briesje streelt over mijn huid en speelt zwakjes met mijn blonde lokken. Ik zit op de veranda voor mijn huis en kijk uit over het gras van mijn voortuin. Het is kortgeknipt en hier en daar steken er madeliefjes bovenuit.

Ik streel met mijn vingers over het gladde goud van mijn amulet. Ik kan nog steeds nauwelijks geloven dat er niks fout is gegaan. Mijn ouders trouwens ook niet. Ik sta nou niet echt bekend om mijn elegantie en voorzichtigheid.

‘Sissi?’

Ik kijk op, recht in Iwans felblauwe ogen. Ik glimlach naar hem. ‘Hé.’

‘Wat doe je hier zo laat?’

‘Wat doe jíj hier zo laat?’

Iwan grijnst. ‘Ik kon niet slapen.’

‘Ik ook niet.’

Mijn broer komt naast me zitten en slaakt een zucht. ‘De nachten zijn altijd het beste. Dan kan je tenminste ongestoord nadenken.’

Ik kijk hem zijdelings aan. ‘Je denkt teveel, Iwan.’

Een glimlachje danst rond zijn lippen. ‘Je kan niet teveel denken. Dat onderscheidt ons van andere wezens, Sissi.’

Ik rol licht met mijn ogen en kijk naar de sterren die vrolijk in het diepe zwart twinkelen. Ik ken geen enkel sterrenbeeld, maar Iwan kent ze bijna allemaal uit zijn hoofd.

‘De dag zal nooit de nacht geloven, dat er sterren bestaan,’ zegt Iwan plotseling met een dromerige glimlach. Hij kijkt naar de sterren die zich in zijn ogen lijken te weerkaatsen.

Ik kijk hem vragend aan.

‘Een wijsheid gezegd door iemand die al lang geleden gestorven is. Hij woonde in een land voordat ze samen De Geallieerde Staten vormden. Duitsland.’

‘Hoe weet je dat?’ We leren niet veel over de geschiedenis, behalve dan hoe slecht het was en hoeveel beter het nu is.

‘Pap vertelde me erover. Hij heeft het weer gehoord van zijn vader en die weer van zijn vaders. Het gaat generaties terug.’ Iwan kijkt me weer aan, maar zijn ogen lijken het licht van de sterren te hebben opgezogen.

‘Waarom heeft hij het mij niet verteld?’ Ik wil niet pruilen, maar kan mezelf er maar net van weerhouden.

‘Omdat je er nooit om vraagt.’ Iwan lacht. ‘Je bent vaker buiten dan bij hem, binnen.’

Ik kijk ietwat beschaamd naar de grond. Mijn vader heeft twee jaar geleden een ongeluk gehad. Er zijn nog enkele auto’s – de meeste zijn verboden, we moeten allemaal met het openbaar vervoer of de ronde voertuigen die over de rails boven de straten schieten – maar mijn vader moest voor zijn werk nog met de auto rijden. Op zijn weg daarheen rende een klein kind over de weg, waardoor mijn vader moest uitwijken en tegen een boom knalde. Door de klap werden allebei zijn benen verbrijzelt en brak hij enkele rugwervels.

We hebben hoop gehouden, echt waar. Alle maanden dat mijn vader in het ziekenhuis zat, revalideerde en zich door de moeilijke tijd heen sleepte, hielden we hoop. 

Maar het had geen zin. Na een half jaar vertelden de dokters ons dat mijn vader nooit meer zou kunnen lopen en dat als mijn ouders samen niet het minimale loon binnenhaalden, mijn vader naar de Zwakke Sectoren gestuurd zou worden.

Gelukkig, nu, twee jaar later, weet mijn moeder in haar eentje – en met hulp van Ivo en Ivan – nog steeds het bedrag te verdienen. Elk jaar opnieuw.

‘Het maakt niet uit, Sissi. Hij begrijpt het.’ Iwan legt een hand op mijn arm. ‘Je bent zijn dochter, hij zal altijd van je houden.’

‘Je maakt het wel heel dramatisch.’ Ik kijk hem geërgerd aan. ‘Jij zit anders ook niet de hele dag bij hem.’

My new life (on hold)Where stories live. Discover now