Wat op Woutershof gebeurt...

43 2 3
                                        

Ik haal diep adem. Ik sta buiten bij Woutershof. Ik adem de koele zomerlucht in. Het is een mooie avond, het is net gedaan met schemeren. De maan blinkt aan de hemel. Mijn hond Blackie staat bij mij. Het is een jonge labrador. Ik ben van thuis weggelopen, mijn ouders hadden weer ruzie. Met mij er bij, gewoon aan tafel. Ik ben formeel opgestaan en vertrokken. Dat is nu drie uur geleden, nu sta ik hier. Ik woon in Molenbeersel. Ik ben bijna overal geweest, ik ga zometeen terug naar huis, eerst wil ik nog wat rondlopen op Woutershof. Elk jaar is hier een rommelmarkt en tweejaarlijks een halloweentocht. Het is een mooi gebied. Opeens wordt mijn gedenk onderbroken als ik merk dat ik ergens op sta. Een seconde sta ik stijf van schrik maar ik ben het zelf maar. Ik buk mij en neem het voorwerp op; het blijkt een poppenarm. Ik vind het raar en ook weer niet, de rommelmarkt is niet zo lang geleden dus het zou hier gewoon verloren zijn kunnen geraakt. Maar wat anders in mij schreeuwt dat ik mij moet weg maken. Ik luister nooit naar mijn buikgevoel. Nooit gedaan ook. Ik geloof er niet in, bullshit.

Naarmate ik door loop hoor ik mensen, ze praten, maar verstaan doe ik het niet. Het lijkt een andere taal, geen Frans of zo. Ik gok op Latijns. Waarom praten ze Latijn? Ik ga achter de struiken zitten en houd Blackie stevig bij mij. De mensen staan in een cirkel en dragen zwarte gewaden, met mutsjes. Het ziet er nog best schattig uit en ik moet mijn best doen niet te giechelen. Dan blaft Blackie. Iedereen draait zich met een ruk om naar het bosje waar ik in zit. Ik houd mijn hand voor zijn mond en hij doet gelukkig niets meer, en de mensen draaien zich terug om.
Dan schiet de riem los. Daar gaat Blackie, zo de wijde wereld in. Verstijfd van angst zit ik in mijn bosje, hij loopt recht de armen van de mensen in. Met tranen in mijn ogen zie ik hoe mijn eigen hond wordt gekeeld, maar iets doen kan ik niet. Anders ben ik het. Ze hangen hem op en steken een vuur aan. Het is een cirkel. Ik huil zachtjes, hopend dat het knetteren van het vuur mijn gekerm overstemd. Arme Blackie.

Het is een kwartier later en ik zit er nog steeds. Blackie is weg. Ik besluit een foto te maken vanuit de bosjes om er mee naar de politie te stappen, wie het ook zijn, ze verdienen straf. Ik open mijn telefoon, maar nog voor ik mijn camera kan opzetten schiet er een hand naar mijn mond en word ik achteruit getrokken zo uit de bosjes. Het laatste dat ik voel is een koel ijzer tegen mijn keel.

De volgende dag vind een oud koppel de telefoon van het meisje, met het startscherm nog op. Van het meisje noch de dader is geen enkel spoor te bekennen.

Griezelverhalen uit MolenbeerselHikayelerin yaşadığı yer. Şimdi keşfedin