Een felle lichtstraal doorboort één van de vele spleten van wat ik denk dat een kist is. Donker en toch verlicht. Het is een kleine ruimte, gebouwd exact voor mijn lichaamsgrootte. Alsof het gepland was dat ik hier nu, op dit moment zou liggen. De spijkers zijn verroest, ze weten dus dat ik me daaraan verbrand. Het blijft als een litteken in mijn huid gegraveerd. Als kleine dreumes heb ik ooit een oud domper gevonden. Het lag op de grote vuilnisbelt achter het Draalshuis. Daar mogen we niet komen, maar zoals iedereen, deden we het toch. De domper was klein, glinsterend en bijna doorzichtig. Iets dat voor een kinderoog als het mijne een goudmijn was. Wanneer ik het oppakte deed het niets. Ik schudde, danste en draaide ermee rond, maar niets hielp. Het bleef een gewone domper. Tot ik het 's avonds mee naar huis nam en uiteindelijk mee naar mijn tamgnah. Ik zorgde ervoor dat het onder mijn buik lag zodat Dede het niet zou merken. De volgende ochtend werd ik wakker door een verschrikkelijk brandend gevoel. Ik had een bloedrode streep van onder mijn rechteroksel tot aan mijn heup. De 'snee' was diep en volledig ontstoken, het zag er niet uit. Sindsdien weet ik dat verroest ijzer mij geen deugd doet. De kleine ruimte jaagt me geen schrik aan. Het geeft me zelfs op één of andere manier een geruststellend gevoel. Dat kan ik niet zijn. Er is maar 1 soort wezen dat voor gevoelens kan zorgen. Er moet een vanga in de buurt zijn! Dat kan niet anders! Een vanga is een bruin, dromerig wezentje. Hij ziet er schattig uit, maar dat is ie zeker niet. Een droge, ruwe huid met donkergroene vlekken. Een handje met drie vingers, zonder nageltjes grijpt het deksel van de kist en bevestigt mijn vermoeden. Hij voelt dat ik me verzet tegen de gevoelens die hij aan me opdringt en doet harder zijn best. Telkens ik zijn inkomend gevoel afweer, verzwakt zijn greep op het deksel. De vingertjes kleuren langzaam blauw en dat is een teken dat de vanga het aan het opgeven is. De zonnestralen krijgen een roosachtige oranje kleur gemengd met blauw en geel. Dat wil zeggen dat Oldan bijna begint aan zijn speech en dat ik zo snel mogelijk naar huis moet. Maar waar is huis? Door alle gefrustreerde en bange gedachten die door mijn hoofd cirkelen kan ik niet nadenken en verdrink ik in mijn gevoelens. Ik kan Oldan niet in de steek laten. Niet weer.
De douche voelt zalig tegen mijn wangen. Alsof regen me nat maakt. En de muziek stopt de ruis in men oren. De gedachten. Ze gaan elke keer verder en dieper. Ze laten me niet gerust. Een douche doet deugt, maar het is geen regen. Regen die me doet sidderen. Regen waarin ik kan dansen. Druppels die in je wimpers blijven hangen. Net zoals tranen, maar dan kouder. Niet zout. Met nat haar en enkel een jogging aan ga ik terug op bed zitten. Weer een dag verspilt aan bed. De computer is zowel mijn uitweg als het gene dat ik op dit moment niet kan aanraken. En toch. Met m'n koptelefoon op ga ik in kleermakerszit voor het zwarte scherm zitten. Ik kijk naar mijn spiegelbeeld en luister naar niets. Het niets dat mijn koptelefoon in bedwang houdt zodat het niet weg kan. Dan veranderd mijn spiegelbeeld langzaam naar het thuisscherm en klinkt er een schelle 'pling' door mijn oorschelpen. De pling galmt nog een minuut na en ik staar naar het scherm zonder iets te zien. Behalve dan het word-document dat ik net heb geopend. Niets. Blanco. Net als die herinneringen. Het staren gaat over in knipperen. Eerst, één keertje. Dan twee. En er volgen er steeds meer. Voor ik het weet blijft het doorgaan tot ik aan honderd zit. Honderd en een. Honderd en twee. Dan stop ik abrupt. Er dwarrelt een verloren traan langs mijn gezicht. Over mijn wang. Door het kuiltje net naast mijn neus. Zo langs de rechterflank van mijn keel. Tot hij uiteindelijk kiest voor de vuurrode uitweg en zo mijn hele borst doorkruist en het hart eronder verlicht. Het skype-scherm verschijnt en zorgt ervoor dat ik opschrik en vergeet. Ik klik op het telefoontje want voor de camera ben ik nog te naakt. (letterlijk, maar vooral figuurlijk). De oproepster daarentegen krijg ik meteen in beeld. En ze roept; "je bent gek!" Een roze handdoek is rond haar haar gewikkeld en aan haar positie te zien is ze haar teennagels aan het lakken. "Je bent gek!" herhaalt ze nog een keer om haar woorden kracht bij te zetten en daarmee hou ik op met staren. "Waarom?" vraag ik haar, alsof ik niet weet wat er aan de hand is. Ze heeft mijn ondertoontje meteen door en lacht naar me. Niet met haar fantastische, hemelse lach waarmee ze elke jongen van de oudere jaren betoverd, nee. Een geniepig lachje waarmee ze me alleen nog maar meer doet blozen. Ik kan het niet meer aan en zeg; "hij had het verdient." Ze stopt met haar nagels te lakken en kijkt me geshockeerd aan. "Heb je echt met hem gevochten?" "Haha, ja als dat is wat hij je heeft verteld." "Ongeveer..." Ze kijkt me niet meer aan. "Hij kwam naar me toe..." begin ik, maar ze onderbreekt me; "Je weet dat je sterker bent! Ik weet dat hij niet de gemakkelijkste is, maar je moet hem daarom niet in elkaar slaan!" Haar stem is zo breekbaar en de tranen in haar ogen zijn gemeend. "Net nu! Net voor Prom! Wat bezielde je?! Hoe denk je wel niet dat de foto's eruit gaan zien?!" Daar was ze weer. De vriendin die ik kende. Ze maakt zich helemaal niet druk om wat er gebeurd is. Neen. Het gaat haar om de foto's. En toch zeggen haar ogen iets anders. Ik kijk naar mijn handen. Ik zie de ingedeukte knokel op mijn rechter hand. "Het spijt me." Dat is het. Meer niet. Eigenlijk zelfs dat niet, maar dat hoeft ze niet te weten. Het skype-scherm verdwijnt en ik kijk weer naar mijn misselijkmakende zelf. In het zwarte scherm. Van de laptop van... Van wie eigenlijk?
