Verzamelstuk

49 1 0
                                        

(...)

En dat was wat we deden: we wachtten. We wachtten tot de winter aanbrak en de kerstboom het grote plein in Oost-Vlaanderen sierde, we wachtten tot de sneeuw verdween en de lente zijn intrede maakte en de bomen in bloei kwamen te staan, we wachtten tot de zachte twintig-graden-zon veranderde in een gloeiende gele bol die je armen binnen de tien minuten felrood kleurde. We wachtten tot we werden gebeld door opa, Help oma is hervallen jullie moeten nu komen, nu nu nu, het ziekenhuis, ja, klopt, kom nu want de dokter zegt dat het erg is. En we wachtten tot hij opnieuw belde, maar het aan de andere kant van de lijn stil was, op een zacht snikken na.

De begrafenis was zoals begrafenissen altijd zijn. Triest, met wenende mensen en mensen die eigenlijk alleen maar komen omdat ze zich verplicht voelen, met veel Mijn innige deelneming en nog meer gehuil. Eigenlijk vond ik dat we beter konden feesten, want welk mens wilt nu dat zijn afscheid gekenmerkt wordt door een huilende mensenmassa? We zouden moeten feesten, op alle mooie tijden die we hadden gehad en alle mooie herinneringen die we deelden, en op oma, die nu hopelijk op een betere plaats was. Met een aantekening in mijn notitieboekje zorgde ik ervoor dat ik die gedachte niet meer vergat. Onthoud: een feestelijke begrafenis. Veel bloemen. En ballonnen, ja, en feesthoedjes, van die puntige met stippen op.

Toen ik vooraan de kerk stond, de microfoon onder mijn neus, mijn geschreven brief in mijn trillende handen, barstte ik in huilen uit. Ik somde alle herinneringen op  die ik aan haar had, vertelde hoeveel ze voor me betekende, zei dat ik hoopte dat ze eindelijk rust had gevonden. En al die tijd stond ik daar te huilen.

Eén van die herinneringen was die aan Het Treintje, met grote letters H en T. Ik was negen geweest toen oma het me had gegeven.

Het was klein, maar een centimeter of tien lang, en zwart van kleur, met felrode wielen. Een verzamelstuk, had oma me verteld, maar indertijd had ik niet begrepen wat ze daar precies mee bedoelde. Het was gewoon een zwart treintje van tien centimeter lang met rode wielen, dat verrassend zwaar was voor zo'n klein speeltje.

Een verzamelstuk.

Gek hoe ik me haar gezicht na een tijd nog maar nauwelijks voor de geest kon halen, hoe mijn herinneringen aan haar al begonnen te vervagen, maar hoe die twee simpele woorden nog elke dag door mijn hoofd schalden, zo helder dat het was alsof ze ze in mijn oor fluisterde. Een verzamelstuk. Maar voor mij was het nog steeds een simpel zwart treintje met rode wielen, tien centimeter lang maar verrassend zwaar, dat oma me had gegeven.

Oma. Een bleke huid, kraaienpootjes, volle lippen, een bril met groot montuur. Lichtelijk scheve tanden, kroezig wit haar tot de schouders. Dat was oma. Dat was hoe ze eruitzag. Nee; eruit had gezien. Want dat was het ding van sterven. Alles wat je was geweest, was niet meer. Weg. Voltooid. Voorbij, om nooit meer opnieuw te gebeuren.

Een verzamelstuk, dat was oma. Iets om te koesteren.

Moeder dreigde sindsdien niet meer zich te verhangen. Waarschijnlijk was ze gaan beseffen dat de dood niet iets was om mee te spotten, of misschien was ze gewoon te teneergeslagen om de tijd ervoor te nemen. Dat waren we de laatste tijd allemaal, trouwens. Vader trok zich urenlang terug in zijn studeerkamer en kwam alleen nog maar naar buiten voor het avondeten, en Louis had de verkoop van het huis geannuleerd, om ons eerst de tijd te gunnen alles weer op orde te krijgen. En ik, ik staarde naar Het Treintje en probeerde me voor te stellen waar oma nu was, en hoe ze het zou vinden als ze te weten kwam hoe het er de laatste tijd aan toe ging. Ik kon me haar reactie bijna voor de geest halen. Bijna, want telkens als ik me trachtte in te beelden wat ze zou zeggen, hoorde ik alleen maar weer die twee woorden. Een verzamelstuk.

Na een tijd spookte het zo continu door mijn hoofd en intrigeerde het met zo erg dat ik er anagrammen voor begon te verzinnen. Verzamelstuk: Mazelkust ver. Vleesmarkt (met overschot van de U en de Z). Stuk zalmveer. Ik stopte toen ik erachter kwam dat ik beter was in het verzinnen van nieuwe woorden dan het maken van daadwerkelijk logische anagrammen.

Zover was het met me gekomen: ik verdeed mijn tijd met het maken van mislukte anagrammen, niet in staat nuttiger dingen te bedenken.

Zakmes leurt V. Zeer kustvlam. Ik lag op mijn steenharde matras en keek naar het splinterige houten plafond boven me. Niet in staat nuttiger dingen te bedenken, nee. Dus ik kon net zo goed voortdoen. 

KladStories to obsess over. Discover now