Ik staarde naar buiten. We reden over de snelweg. Het weer leek prachtig bij mijn stemming passen. Regen. James zat naast me op zijn gameboy. Maar hij deed niks. Hij staarde naar zijn beeld. Ik weet wat hij denkt. Hij denkt aan onze moeder. Die helemaal alleen is. De school waar we heen gaan. Krijgen we nieuwe vrienden? Of niet? Romona had uitgelegd dat half wezens erg bijzonder waren. Zoals ieder half wezen, waren wij sterker dan onze zuivere soort. We hadden de slimme en sterke eigenschappen van de mens én het wezen. Veel wist ik niet over mijn soort. Ik zal er meer over te weten krijgen tijdens mijn tijd op de school. De tijd die ik liever zal over laten gaan. Ik keek beter naar buiten. Deze wereld zal ik nooit meer kunnen zien. Ik zal nooit meer naar de bioscoop kunnen gaan, shoppen met me vriendinnen, normaal thuis komen van school, zeuren over het huiswerk. Al deze dingen worden mij afgenomen. De drukke snelweg maakte plaats voor een hobbelig strandweggetje. Het weggetje liep door een bos. Ik zag snel een eekhoorn over de weg schieten, en zag ik in de verte nou een hert? Zouden ze ook eekhoorns en herten hebben daar? De auto stopte aan het eind van de weg, ergens midden in het bos. De chauffeur bleef rustig zitten, James en ik keken elkaar verbaasd aan. En nu? Opeens zag ik ergens iets ritselen in de struiken. Ik focusten mijn ogen op de plek waar het vandaan kwam. Er kwam een klein mannetje uit. Met klein bedoel ik heel klein. Hij had rood haar en was een beetje mollig. Hij liep richting de auto en hij glimlachte ons toe. "Wie is dat ?" Vroeg James. De mollige man was bijna bij de auto. "Het zou me niks verbazen als het een kabouter was . " grapte ik. Hij liep naar mijn auto deur en maakte hem open. "Mejuffrouw en Mijnheer Adams?" Vroeg hij. We knikten en hij begon meteen te stralen. "Alsjeblieft, kunt u uit dit voertuig komen?" Weer knikte wij, verbaasd. James liep om de auto heen en pakte onze koffers uit de achterbak. De kleine rooien stak zijn had uit. Ik wou hem de hand schudde maar hij gaf er een kleine kus op, en tergelijken tijd boog hij alsof ik de koning van het land was. "Mevrouw en Meneer Adams, wat fijn dat ik u kan begeleiden naar de poort. Mijn naam is Dalidus." Hij glimlachte weer vrolijk. 'Het zal een zware toch worden dus u kunt uw koffers plaatsen op mijn trouwe ezel.' Het leek wel of ik in een vliegtuig zat en een uitleg kreeg over hoe de zuurstofmaskers werken. James en ik hielpen Dalidus om de koffers vast te maken aan de ezel. "Dus, wanneer vertrekken we?" vroeg James. Dalidus lachte en zei;'Deze kant op alstublieft.'
"Hoe lang is het nog lopen?" zeurde ik. We waren nu al 2 en een half uur aan het lopen door het bos met een slecht pad. Gelukkig had Dalidus een ezel, anders weet ik niet hoe lang ik het vol gehouden met mijn zware koffer. "Nog een half uurtje!" riep Dalidus naar achter. James en hij liepen iets van 5 meter voor me. Hij zei het of het nog maar 5 minuutjes waren. Ik rende een stukje vooruit en ging naast Dalidus lopen. "Dalidus? Hoe is het in die andere dementie?" Hij grinnikte. "Anders. Zo anders. De manier van doen. De manier van omgaan met elkaar. Er is nog maar 1 keer oorlog geweest. Tussen de vampiers en elven. De nachtwezen tegen de dagwezens. Door de oorlog ontstond er een plek vol woede en haat. We noem het de inferno. " Ik wist dat dat in het Latijns 'hel' betekende." Meer vertel ik er niet over. Daar zijn jullie te jong voor." James keek verbaasd. "We zijn al 15 Dalidus." Dalidus lachte. "Meneer Adams, ik ben al meer dan 1200 jaar oud. 15 is nog maar het begin" Ik lachte naar James, hij keek beledigd terug."Je leert er wel meer over op school.' Hij knikte. 'Zijn de wezens apart van elkaar?' vroeg ik. Hij schudde zijn hoofd. 'Nee, je krijgt een kamergenoot en dat kan ieder soort zijn.' Ik knikte. Hoe zou de school daar zijn? Wat voor vrienden zou ik krijgen? Zou ik überhaupt wel vrienden krijgen?
Het begon al donker te worden en we waren een kwartiertje verwijderd van onze eindbestemming. Het was rustig in het bos op een paar dierengeluiden na. Een rustig riviertje stroomde naast me voeten, het straalde in het beginnende maanlicht. 'Kan ik hier uit drinken?' vroeg ik aan Dalidus. Hij schudde zijn hoofd. 'Omdat we zo dicht bij de poort zijn, een magische wereld dus, hangt hier ook duisterheid.' Mijn hoofd draaide weer naar het riviertje. Ik zag een soort schaduw door het water zwemmen. Dalidus vertelde verder. 'In deze rivier zwemt een kleine soort meerminnen. Deze meerminnen zijn beeldig schoon en prachtig om aan te zien. Te prachtig. Als je uit het meer drinkt verblinden ze je en je valt in het water en ze trekken je mee naar beneden tot je verdrinkt.' Ik schrok van zijn verhaal en wende snel me hoofd af. Ook James keek strak voor zich uit. Dalidus grinnikte. 'Zoals ik al zei alleen als je uit het water drinkt. Het is hun domein en ze haten "drinkers" ' Ik zuchtte opgelucht. 'Tot hoever loopt dit riviertje? Ik word er zenuwachtig van.' zei James benauwd. 'Dan heeft u een probleem, want het stopt pas 2 meter naast de poort.' James keek weer strak voor zich uit en stapte stevig door. Ik keek weer naar het riviertje. De schaduw was weer weg en ik zag niks meer.
'Wacht hier alstublieft. Ik moet even iemand halen die ons verder helpt.' zei Dalidus en hij liep weg. We waren bij een open plek aangekomen waar het einde van het riviertje was. Het was nu eerder een meer geworden. Het had zich uitgebreid. We waren volgens Dalidus nog maar 4 meter van de poort verwijderd. 'Ik heb zo een dorst' zeurde ik. James zuchtte en liet zich zakken op het gras. 'Ik ook.' James wees naar een lange tak die tegen een boom aan stond. 'Misschien kunnen we een waterflesje aan de tak vast maken en het water er in scheppen.' Ik liep naar de tak toe en bestudeerde hem. 'Het is een stevige tak dus we kunnen het proberen.' Ik liep naar de ezel die Dalidus had achtergelaten en haalde mijn rugtas er vanaf. Ik graaide in de rugtas en viste er een leeg waterflesje uit. Ik haalde mijn elastiekje uit mijn haar en bond het flesje stevig aan de tak vast. 'Laat mij maar scheppen.' zei James. En hij greep naar de tak. 'Ja, dag. Heb je je kippenbeentjes gezien?' En ik knikte naar James armen. Wat ik zei klopte eigenlijk niet, James had best gespierde armen door de sport waar hij op zat. Roeien. Hij gooide zijn hoofd naar achter en lachte uitbundig. 'Weet je zeker dat je het niet over jezelf hebt?' Ik stak mijn tong naar hem uit en hield de tak eigenwijs vast. 'Wat jij wilt, ga je gang.' zei James en hij ging weer zitten. Ik gooide de tak omhoog zodat hij recht vooruit stak. Ik heb nu al spijt dat ik het James niet heb laten doen want die tak was behoorlijk zwaar. Ik liep iets dichter naar het meertje toe en stak de tak in het water. Er gebeurde niks en ik zuchtte opgelucht. 'James, het werkt!' James glimlachte naar me. Ik keek hem ook aan en zei:'Ik zei het toch! Ik ben wel sterk!' Hij zuchtte en draaide zijn hoofd weer naar het meer. Opeens werden zijn ogen groot en riep hij 'Leah kijk uit!' Voordat ik kon vragen waar ik voor moest uit kijken, voelde ik een stevige ruk aan de tak en vloog ik het water in. Ik stak mijn hoofd weer bovenwater en probeerde wanhopig naar de kant te zwemmen. James was ook nergens meer te bekennen. Opeens voelde ik iets zwaars aan mijn been trekken. Ik keek naar beneden en zag een groene vin. De meerminnen. 'JAMES!' riep ik wanhopig maar opeens vulde mijn mond zich met water. Steeds verder werd ik van het oppervlak weggetrokken. Het laatste wat ik zag was hoe een groot wezen in het water sprong en vuur op de meermin vuurde. Vuur? Onder water? En toen werd alles zwart.
YOU ARE READING
Magical Creatures ®(on hold)
FantasyDe tweeling Leah en James komen er na 15 jaar achter wat ze precies zijn. Ze zijn elfen. 100 jaar geleden is er een ongeluk gebeurd waardoor er een poort vanuit hun dementie naar onze dementie is open gegaan. Ze moeten direct naar naar 'The House o...
