Hoofdstuk 21

434 30 4

Met een zucht beëindigde Cèsely het gesprek.
"Ik moet naar het ziekenhuis. Mijn cliënte is plotseling opgenomen. Zij... wachten op je." Ze keek George aan en die knikte dat hij het begreep.
In drie richtingen gingen ze vervolgens uiteen. Cèsely nam de bus en George reed met zijn eigen auto naar het hotel. Daar pasten helaas niet meer dan drie man in, aangezien er misschien ook tassen mee moesten. Magda greep daarom Sabian bij zijn hand en bestelde een taxi.

Nadat Pattris de verbinding had verbroken, was het wachten geblazen. Ze wisten niet hoelang het zou duren voordat George hen op zou halen. Gelukkig hoefden ze niet lang te wachten.
Er werd geklopt en een gedempte stem klonk aan de andere kant van de deur: "Het is George."
Pattris stond vlug op, schoof de stoel aan de kant en opende de deur. Er stond inderdaad een grote man in de hal. Hij droeg normale kleding, al zag Kelly de donkerblauwe boord van zijn uniform onder zijn jas. Ze herkende hem. Van haar voorbereiding op de shuttlemissie. Deze man was verantwoordelijk voor het communiceren van de lanceercodes.
Ze stoof op hem af en vroeg meteen: "Weet u iets over mijn moeder? Heeft u iets gehoord?"
"Sorry Kelly, ik weet niet meer dan jij. De jongedame, Cèsely? Zij ging tegelijk met mij weg. Ik neem aan dat ze nu wel bij het ziekenhuis is aangekomen. Ze zal je vast op de hoogte brengen zodra ze wat weet. Ik stel voor dat jullie nu met mij meekomen."
"Waar gaan we heen?"
"Naar mijn huis, het is hier vlakbij. Daar kunnen jullie wachten, dan zal ik ondertussen binnen de zaak aan het rollen brengen."
Ze volgden hem naar buiten. Spullen hadden ze niet en Kelly vroeg zich af of ze ooit nog in haar oude huis zou komen, om op te halen wat ze daar had laten liggen. Er was niets dat ze echt niet kon missen, al had ze wel het kleine beeldje van kwarts op haar nachtkastje neergezet. Het beeldje van de kunstig uitgeslepen wolf, dat ze lang geleden van Seraf had gekregen.

Het was laat in de avond en nog vrij druk op de wegen, maar dankzij de vele voorgeprogrammeerde routes, duurde geen enkele rit erg lang. Cèsely scande haar vervoerkaart en besloot zich geen zorgen meer te maken over haar snel slinkende bankrekening. Er waren belangrijkere dingen en daarnaast had ze toch nooit een echt doel gehad voor haar geld.
Ze holde het ziekenhuis in en vroeg bij de balie waar ze moest wezen.
Ze hield niet van de geur van een ziekenhuis en al helemaal niet van deze. Ze herkende de gangen nog, die stonden in haar geheugen gegrift. De afdeling waar ze nu naartoe liep was een andere, maar Cèsely hoefde niet te weten wat er achter de gesloten deuren gebeurde.
Mevrouw Brenner lag in een privé kamer. Het was een zelfde soort kamer als die waarin Cèsely een deel van haar leven was kwijtgeraakt en ze bleef even moeizaam op de drempel staan. Haar cliënte draaide haar hoofd en zag haar staan.
"Cèsely. Wat ben ik blij jou te zien. Hoe is... Is alles goed?"
Cèsely wist was ze had willen vragen en stelde haar gerust. "Alles is goed, maakt u zich geen zorgen. Wat is er gebeurd? Toch niet... U vertelde eerder... maar dat zou toch niet zo snel moeten gaan?"
Er kwam iemand binnen achter haar en beide hielden prompt hun lippen op elkaar. De binnen gekomen verpleegkundige keek de waarden op de verschillende apparatuur na, veranderde enkele instellingen en verliet met een beroepsmatige glimlach de kamer weer.
"Ach meisje, er zou zoveel niet moeten gebeuren. Je hoorde mijn dochter, ze zal niet willen vertrekken als ik hier blijf."
"Hoe bedoelt u? Wat heeft u gedaan?"
Mevrouw Brenner wendde haar blik af en staarde naar het raam. Het glas was mat en een echt uitzicht was er niet. Buiten was de nacht begonnen.
De vrouw met een frons aankijkend, zei Cèsely langzaam: "U heeft toch niet... De medicatie, wat is het effect van de medicatie? U moest het elke dag innemen, nietwaar? U bent ermee gestopt. Waarom?"
Met een zucht zei mevrouw Brenner zacht: "Wat is het nut van verder leven, wanneer alles zo uitzichtloos is? Ik heb alles gehad wat ik wilde hebben en ben meer kwijt geraakt dan ik moest kwijtraken. Geef mij de kans het los te laten, Cèsely, voordat ik opnieuw alles verlies wat ik nog over heb."
"Maar... de artsen, zij zullen u behandelen. Ze vinden vast wel een manier om de gemiste medicatie aan te vullen."
"Dat zou misschien gekund hebben, wanneer het om één gemiste dag ging. Maar dit is de derde dag en de kettingreactie die normaal tegengehouden werd door die medicatie, heeft nu plaatsgevonden. Het is goed meisje, niet huilen."
Tranen liepen over haar wangen en Cèsely veegde ze verwoed weg. Ze balde haar vuisten en moest zich inhouden om niet tegen een muur te slaan. Ze haatte dit ziekenhuis. Nu nog meer dan ooit.
"Ik had lang geleden al moeten gaan. Ik was bijna gestopt met de medicatie nadat het halve jaar verstreken was en er geen bericht kwam over de shuttle. Ik denk dat ik ergens nog hoop had dat ze terug zouden keren. Gelukkig maar. Vertel me Cèsely, zeg het me eerlijk. Komt het goed? Gaan ze terug naar huis?"
Moest ze liegen? Hoe lang zou ze nog hebben? Zou ze het nog meemaken wanneer de hele operatie in de soep liep en haar dochter in de gevangenis zou belanden?
"Ja," zei ze zacht. "Alles komt goed, ze vertrekken morgen."
Op het gezicht van mevrouw Brenner verscheen een waterige glimlach en haar lichaam ontspande zichtbaar.

De Nieuwe Wereld 1: ElodieLees dit verhaal GRATIS!