Als ik wakker ben, sta ik meteen op, wat me een pijnscheut in mijn been kost, maar dat maakt me vrij weinig uit. Mijn handen grijpen meteen naar het pistool op het nachtkastje en als ik dat eenmaal veilig bij me heb, strompel ik naar de deur. Ik probeer zo min mogelijk op de pijn te letten, maar dat is natuurlijk vrij onmogelijk. Fysiek reageer ik niet op de pijn, maar mentaal ga ik kapot. Ik moet naar het Overleg, dan zie ik wel verder.

Zo strompel ik door de gangen. Ik weet niet hoe laat het is, maar er is niemand aanwezig. Het lijkt eindeloos te duren – trap op, trap af, gang door – maar dan lijk ik eindelijk bij het Overleg aan te zijn gekomen. Mijn hart maakt een sprongetje, maar als ik de deur open, merk ik dat er niemand is. Het moet dus wel nacht zijn. Ik pak met het licht dat ik van de gangen krijg, een kaars naast de deur aan en het Overleg laat zich aan me blootstellen. Ik kan zwakjes de stoelen en de papieren zien, maar ik moet duidelijk dichterbij hen komen om te weten waar het vandaag allemaal over is gegaan. Ik weet dat ik hier eigenlijk niet meer mag zijn, maar mijn nieuwsgierigheid wint het gevecht dat zich binnen in mij afspeelt. Ik trek de deur achter me dicht en loop naar de eerste tafel, die gevuld is met papieren.

Het eerste papier wat ik lees, is in een bijna onleesbaar handschrift geschreven. Mijn ogen worden wazig en scherper, als ik het probeer te ontcijferen en daaruit maak ik op dat ik te moe ben, dus ik leg het papier neer en zoek naar een leesbare aantekening. Uiteindelijk vind ik op een van de tafels – de tafels zijn niet met namen gemarkeerd – een krant. Ik zet het kaarsje op de tafel en ga op een stoel zitten. In het zwakke licht van de kaars, kan ik de krant nog net lezen. Ik lees de woorden rap, zodat ik van de helft niets begrijp, maar wat ik er wel uit op kan maken, is dat er steeds meer rebellen komen. Mijn hart slaat een slag over. Ik weet niet zeker of dit iets goeds of iets slechts betekent, maar ik voel plots een enorme drang in me opkomen. Zeker als ik de laatste alinea lees, waarin er wordt verteld, dat de jongeren een onderzoeksgebouw in Chicago hebben overgenomen en dat nu blijven bezetten, hoeveel legers er ook op af worden gestuurd. Ik denk aan mijn ouders, die nu misschien zonder werk zitten, maar ik voel geen medelijden. Het gevoel van eenzaamheid onderdruk ik, want daar heb ik nu geen zin in.

Ik scheur het papier van de krant af, en stop dat in mijn broekzak. Verder is er niet veel interessants in de krant te lezen, dus ik duw hem van me weg en leun in de stoel. Dan zie ik plots de goedkope computer, waarvoor Thomas bijna gearresteerd is, toen hij het Wegjaagde. Ik spring op van de stoel – wat me weer een pijnscheut in mijn been oplevert – en loop snel naar de computer. Het duurt niet lang om hem op te starten, maar het kraken van het wachtwoord is een probleem. Ik ben nooit een hacker geweest, ook niet toen ik thuis was en daar alle computers in mijn bezit had. Ik weet dat Louis het wel een beetje kan, maar ik ga het hem niet vragen. Het klokje brand op mijn borst en ik pak het wanhopig vast, alsof daar een antwoord in zit. Ik typ een aantal voor de hand liggende wachtwoorden in, maar met weinig gevolgen. Woedend sta ik op; ik weet niet waar die emotie vandaan komt, aangezien ik niet weet wat ik op de computer moet vinden, maar hij is er en ik kan het niet wegdrukken.

Ik pak de kaars van de tafel op en loop verder door het Overleg. Veel is er niet te doen, behalve aantekeningen lezen. Normaalgesproken zou me dat niet aanstaan, maar mijn nieuwsgierigheid wint het van mijn afschuwen. Langzaamaan verlaat de vermoeidheid uit mijn lichaam en ik besluit de meest interessante aantekeningen mee te nemen, maar ik wil niet weg uit de ‘comfortabele’ stoelen, dus pak ik een ander papier en begin ik te denken. Na een uur staat dit op het papier:

Hackers > computers hacken

Levers >  zich in het dagelijks leven wijden

Soldaten > vechten

Trainers > Soldaten en Jagers trainen.

Meer weet ik niet om een opstand te beginnen, maar daar zal vast verandering in komen. Ik kijk op de klok, die zich in de computer heeft ingebouwd en die vertelt me dat het Overleg over een uur gevuld met mensen zal zijn, dus ik pak de aantekeningen die ik voor me heb verzameld, plus mijn eigen briefje, en ik ga buiten het Overleg zitten. Ik maak me even geen zorgen over Ares of Jagen, want dit is op het moment mijn prioriteit. Ik zie hoe de Leiders aandruppelen, eerst de minder belangrijke Leiders, die plaatsnemen op de achterste banken en beginnen met het uitstallen van hun aantekeningen en dan zie ik eindelijk Gerco aankomen. Ik duw mezelf omhoog en snel op hem af.

VirusLees dit verhaal GRATIS!