Hoofdstuk 15

539 40 6

Aarde, huidige tijd

Bijna een uur lang had Kelly aan één stuk door gepraat. Het duizelde Cèsely van al het nieuws dat ze gehoord had. Haar verbeeldingskracht liet haar al in de steek bij het vormen van een beeld van een oerwoud, laat staan een geheel groene wereld. Ze keek even naar mevrouw Brenner, die zat stil voor zich uit te staren. Haar reactie verbaasde Cèsely een beetje, zou ze niet juist heel enthousiast moeten zijn? Misschien wilde ze de stad niet verlaten, of zag ze de lange reis niet zitten? Zouden de artsen haar wel toestemming geven om mee te mogen gaan?

Er rezen een hele hoop vragen in haar op, maar voor ze haar mond open kon doen, zei Kelly: "Ik ga een glas water drinken, mijn keel is helemaal droog."

De onderbreking was welkom, want Cèsely voelde zelf ook een dringende nood. Ze had Kelly niet willen onderbreken, maar nu kon ze mooi even vlug naar het toilet.

---

Ze stond al voor de deur naar de woonkamer, die automatisch open schoof, om weer terug naar binnen te gaan met haar hoofd vol vragen, toen plotseling de deur naar de zijkamer open ging.

Twee donkerblauwe ogen keken haar aan en ze voelde hoe haar hart een slag mistte.

Het was niet de kleur van de ogen die haar plotseling kippenvel bezorgde. Ook niet de blik: doordringend, met een hint van openlijke nieuwsgierigheid. Nee, het was de huid rondom de ogen die haar van haar stuk bracht.

Hij was niet blank, zoals zij, niet donkerbruin, als pure chocolade. Niet rood of gelig en geen enkele tint daartussenin. Zijn huid, want het was een jongen, registreerden haar zintuigen op een onderbewust niveau, was grijs.

De kleur van klei, waar je huid mee gezuiverd werd. Zeldzaam, vol rijke mineralen, schreeuwend duur.

Het was een aardse kleur, warm, levend, met schaduwvlakken en meerdere tinten, daar waar de zon op had geschenen. Zijn bloed was rood. Waarom verbaasde haar dat zo? Natuurlijk was zijn bloed rood. Bij zijn ogen was het zichtbaar en bij zijn mond.

Bloed vermengd met klei.

Zijn mond lachte niet. Waarom perste hij zijn lippen op elkaar?

Cèsely's ogen schoten terug naar de zijne, niet langer aards. Zijn huid was grijs. Geen enkele huidskleur op de aarde was te vergelijken met deze. Het was een onaardse kleur.

Met het gevoel alsof iemand haar net een harde duw had gegeven, deed ze een wankele stap naar achteren.

Hij moest haar schrik gezien hebben, want zijn lippen bewogen. Ze verstond hem niet, want haar oren suisden. Ze had een stoel nodig. Haar handen grepen paniekerig om zich heen en vlak voordat ze het bewustzijn zou verliezen, vond ze houvast.

"Ho daar, kalm aan. Ik heb je."

Met haar ogen gesloten voelde ze haar hart weer tot rust komen. Zij stem klonk doodnormaal, licht melodieus, zacht en mannelijk. Hij sprak dezelfde taal, niets aan de hand.

Ze opende haar ogen en haar blik viel op zijn hand.

"Kelly!"

Cèsely schrok zich een ongeluk toen hij plotseling zijn stem verhief. Ze wilde opkijken, maar op de één of andere manier werkten haar oogspieren niet mee.

Gebiologeerd, dat was het woord. Het had zeker iets met biologie te maken. Een hand hoorde niet grijs te zijn.

In haar ooghoek verscheen iemand. Gelukkig, een blanke huid. Ze sloot haar ogen om het draaierige gevoel kwijt te raken.

"Pattris, wat heb je gedaan?"

Kelly klonk ongerust. Nee, meer geschrokken dan ongerust. Er kwam geen antwoord. Ze opende haar ogen vlug om te kijken of hij er nog steeds was. Natuurlijk was hij er nog. Ze voelde zijn hand op haar arm, die meteen begon te tintelen. Ze werd niet vaak aangeraakt door een jongen. Nooit eigenlijk, welke jongen zou haar nu moeten aanraken? De laatste man die haar had aangeraakt was haar vader, gisteren, een knuffel voor het slapen gaan. En haar broertje natuurlijk, vanmorgen. Maar zijn handen, die haar speels een duw hadden gegeven, waren even blank geweest als de hare.

De Nieuwe Wereld 1: ElodieLees dit verhaal GRATIS!