‘Goedemorgen, Sam,’ zegt hij, met zijn lage stem, die me elke keer weer verbaasd. Ik heette Samantha, maar toen ik hier binnenkwam moest ik een nieuwe identiteit aannemen, want als je als Jager wordt gesnapt, is het niet handig om je eigen naam te gebruiken. Dan kunnen ze je terugsturen naar je familie en dan kom je nooit meer weg. Met de naam Sam heb ik nog een beetje kans. ‘Ik heb gehoord dat er Nieuwen zijn. Edmund roept morgen een Inwijding op.’

De Inwijding is het enige feest dat we hier vieren. Het is het feest waar de nieuwe mensen worden binnengelaten en worden ondervraagt. Dan is er altijd meer eten en mensen zijn blij. De Nieuwen kiezen een nieuwe identiteit en worden in de groepen opgedeeld. Ik weet mijn eigen Inwijding nog goed. Ik was bang voor alle nieuwe gezichten en kon alleen maar stamelen, maar over mijn nieuwe identiteit was ik zeker. Dat was de dag waarop ik mijn eerste pistool kreeg, want als Jager moet je jezelf kunnen verdedigen.

‘Echt waar?’ zeg ik, met een blik op Wouter, die dit soort dingen moet weten, door zijn taak in het bestuur.

Wouter knikt en slikt het eten in zijn mond door. ‘Jazeker, zoiets had ik ook al gehoord. De werkelijkheid is nog niet totaal samengevat, maar dat zal allemaal wel komen.’ Hij kijkt op zijn klokje en staat op. Met een zachte vloek pakt hij een boterham van de schaal. ‘Ik moet gaan.’ Hij geeft Louis een aai over zijn bol, wat hij duidelijk niet leuk vindt en mij een kus op mijn voorhoofd. We weten nooit of we elkaar wel terug zullen zien aan het avondeten, maar we hebben geleerd te leven met de onwetendheid.

‘Succes,’ zegt Ben en dan rent Wouter de zaal uit, zijn warrige haren achter zich aan wapperend. ‘Sam, wij moeten ook zo gaan. We hebben een zware dag voor de boeg.’ Dat is waar, het eten is te weinig, mensen krijgen honger. We hebben tegenwoordig te weinig Jagers en de Jagers moeten meer eten stelen, wat ons meer laat opvallen. We kunnen geen eten vinden op het land om de Titaan heen, want dat is helemaal platgebrand in de Verbrijzeling. Wij moeten ons elke dag in de steden wagen en daar in de supermarkten eten zien te vinden en te stelen. Het is riskant, maar onze mensen zijn goed in het stelen en we kunnen ons goed verdedigen. Toch, dit is een van de gevaarlijkste werken die je kan hebben. Er is werkelijk één werk nog gevaarlijker, dat zijn de Nemers.

De Nemers spioneren het Bestuur en die wagen zich in het werkelijke leven van de “normale” mensen. Soms zijn ze dagen, wel weken weg en hebben ze bijna dood verklaard, als ze terug komen met de rijkste informatie. Uit die informatie moeten de Denkers dan patronen halen en alles duidelijk maken. De Nemers moeten een compleet andere identiteit aannemen. Ze moeten hun uiterlijk met een knip in hun vingers kunnen veranderen, zonder tegenstribbelen. De ene dag zie je ze rondlopen met zwarte haarlokken en de volgende zie je hen met donkerrode haren. Door velen worden ze al niet meer herkent, maar ik ken een aantal Nemers, doordat ik als een van de eersten hier was.

Toen ik hier kwam waren er welgeteld twintig mensen. Ze waren onduidelijk verdeeld in groepen en van alles waren te weinig mensen. Ze hadden duidelijk meer mensen nodig en die zouden ook komen. We weten van twee andere groepen als die van ons. We noemen hen de Wezen en de Zwervers, zoals ze zichzelf hebben voorgesteld. Contact is er tussen ons niet, maar we weten van elkaar dat we er zijn. Onze vluchtgangen zijn met elkaar verbonden en via deze gangen kunnen we dus naar hen en kunnen zij naar ons.

Ik sta op en kijk op mijn horloge. Ben heeft gelijk. We moeten waarschijnlijk nog onze tassen klaarmaken en nog dingen bespreken met de anderen. In de Jagersgroep zitten nu veertien mensen. Elk van ons vormt een tweetal met een ander persoon, die we partners noemen. Ben is mijn partner, maar dat kan zo veranderen als er een Nieuwe in onze groep komt. Dan moet ik diegene inwijden, omdat ik als een van de oudsten, de beste van onze groep ben. Ben werkt dan samen met een ander tweetal. Dit is vaak gevaarlijk, omdat je met grote aantallen meer opvalt, maar we hebben geen andere keuze.

We lopen door de gangen naar de Huisplaats van de Jagers, die we de Verzameling noemen. Hier houden we alle andere spullen achter slot en grendel. Dit houdt in, wapens, lang houdbaar voedsel en overlevingsspullen, als kleine tenten en slaapzakken. Aan de rechterwand hangen tassen, die met onze namen gelabeld zijn. Ben opent de deur met een sleutel en we lopen naar binnen. De anderen zijn er al. De kamer is groot, voor  veertien mensen. Er staan een aantal stoelen en een grote tafel in het midden. Zoals ik al gezegd heb, hangen de tassen aan de rechterwand. Tegen de andere wanden staan kasten, die vol staan met de zo genoemde producten.

Ik groet de anderen en pak mijn tas, die naast die van Thomas staat. Thomas is een paar jaar ouder dan Wouter en een van de beste Jagers die ik ken. Hij werkt samen met een meisje genaamd Hunter, die haar naam zo heeft verandert, toen ze bij de jagers kwam. Ik weet niet exact wat haar echte naam is, maar ze heeft die identiteit achter zich gelaten, zoals wij allemaal. Ik praat niet veel met haar, ook niet met Thomas. Jagers zijn gekenmerkt aan hun stilte. De enige met wie ik nog wel eens woorden wissel, behalve dan met Ben, is Olivia, een dertien jaar oud meisje dat er net bij is gekomen. Ze heeft nu al een partner, maar ik heb haar in moeten wijden en ze heeft een geweldig karakter. Soms komt ze nog wel eens bij ons zitten, tijdens het eten, maar zij heeft ook haar eigen vriendengroep, waar ze mee eet en onze tafel zit vaak vol. Vooral als Wouter’s vriendin Sanne er ook nog bij komt. Sanne is een Nemer, dus ze is er niet vaak, maar als ze er is, wordt ze duidelijk en veel bemint door Wouter.

Ik stop een aantal spullen in mijn tas, zoals een dunne slaapzak en wat munitie. Dan pak ik een blikje bonen, die het lang uit moeten kunnen houden en rits de tas dan dicht. Ik moet nog een groot gedeelte overhouden voor het eten dat ik moet stelen. Het moet klein voedsel zijn. Voedsel dat lang houdbaar is en makkelijk mee te nemen. Het liefste astronautvoedsel, maar dat is moeilijk mee te nemen, omdat het zo duur is.

Ik doe de banden van de tas om mijn schouders en strik mijn veters nog een keer extra goed. Dan sta ik op en loop ik naar Ben, die in een kortaf gesprek is met Renske, een donker meisje dat nog maar kort in de Titaan is. Ik weet niet waar het over gaat, maar het interesseert me niet echt. Ik tik eventjes Ben’s schouder aan, om duidelijk te maken dat ik klaar ben voor vertrek en wacht dan op een stoel naast de deur. Niet veel later komt Ben me op laten en lopen we door de deur naar de gangen. Als we eenmaal de gangen op zijn, rennen we deze door en lopen we naar de zwaarbewaakte uitgang. We hoeven alleen onze namen te zeggen tegen de mannen die de deur bewaken – we kennen ze wel en zij kennen ons ook, maar toch is het nodig, want anders ga je tegen de wet in – en daarna lopen we de deur uit. De open vlakte op.  

VirusLees dit verhaal GRATIS!