Ik schiet wakker, mijn ademhaling versnelt, door de droom die zonet door mijn vingers is geglipt. Ik val terug in het veel te harde kussen en kijk om me heen, in de krap verlichte kamer. Het is een kleine kamer, dat wel, maar het is perfect. Doordat ik een van de hoogste Jagers ben, kreeg ik een grotere kamer. Waarom, weet ik zelf ook niet, maar het maakt me ook vrij weinig uit. Ik neem genoegen met alles wat ik krijg, want ik weet dat als ik er tegenin ga, dat ik problemen krijg met de leiding. Ik kijk op het digitale horloge, dat ik vanaf thuis heb meegenomen. Het is een van de weinige dingen die ik nog van thuis heb, samen met een amulet dat mijn moeder me ooit heeft gegeven. Ik strijk er even met mijn vingertoppen overheen en voel het metaal van het klokje. Het is niet echt een amulet, maar het is heel oud en toen mijn moeder het aan me gaf, presenteerde ze het zo. Ik zucht, duw de herinneringen van mijn moeder weg en sta op, klaar voor een nieuwe dag.

Ik loop naar de krakkemikkige kast, die naast de deur staat. In de eerste lade vind ik mijn dagelijkse kleding. Jaagkleding, die perfect om mijn lichaam vormt. Ik weet niet hoe ze aan dat spul komen – stelen waarschijnlijk – maar opnieuw, vragen naar antwoorden is vragen naar problemen. Ik trek de kleding aan; een soepele spijkerbroek, die zich om mijn benen vormt, een zwart shirt, waardoor ik niet opval en een zwartleren vest. Dat vest is een van mijn hoogtestandjes in de Titaan, het is van leer en is perfect. Ik heb het gekregen voor mijn verjaardag, van mijn oudere broer Wouter, die bij het bestuur van de Titaan werkt. Hij moet veel gedaan hebben om het te krijgen, misschien wel zelf naar buiten zijn gegaan. Het is onweerstaanbaar.

De Titaan is de enorme grot waarin we wonen. De grot is grotendeels onder de bodem, waardoor de Vereniging ons niet kan vinden. Als ze dat uiteindelijk wel doen, hebben we goede uitwegen die ons ver kunnen brengen. De Vereniging is een bond van verschillende landen, die samen zijn gaan zitten en nu de wereld beheersen. Het zijn slechte mensen, dat weet ik zeker, maar of het feiten of meningen zijn, dat weet ik niet.

Ik open de tweede la is mijn lade met wapens. Ik haal een pistool uit de lade en stop die in mijn zak. Het is een jaagdag, dus pistolen zijn wel nodig. Ze zijn niet om ons eten te vangen, ze zijn om ons te verdedigen. Ik zit hoog in de Orde van de Titaan en word daardoor beschermd door een wapen. De Orde zit vol met Leiders, de hoogste mensen van de andere Groepen, plus een klein deel van de bevolking. Ik kijk op in de smerige spiegel. Een afdankertje van mijn kleine broertje, die het ding toch niet wilde. Mijn reflectie is wazig, niet goed te zien, maar ik weet toch hoe ik eruit zie. Mijn gezicht is kinderachtig, engelachtig in andermans woorden. Lichtbruin haar omkrult mijn gezicht en komt tot net onder mijn schouderbladeren. Mijn ogen zijn grijs, maar donkerder zodra het oog verder naar mijn pupil spreid. Ik ben klein voor mijn leeftijd, maar volgens de lat die aan de stenen muur van de grot hangt, groei ik nog volop, dus daar staat mijn hoop op.

Ik verbijt mijn gedachten, zet een emotieloos gezicht op en loop door de houten deur van mijn kamer. Meteen sta ik in een volle gang. Mensen lopen heen en weer, vanaf de eetzaal, naar de werkkamers. Iedereen doet hier waar hij goed in is en samen maken we een eindproduct dat cruciaal is voor het overleven. Ik blijf even stilstaan, om een aantal mensen voor te laten en ga dan in de goede rij lopen. Met ferme passen loop ik naar de eetzaal. Als ik die eenmaal binnen kom, vallen de gesprekken even stil. Dat respect is voor mij mijn waarde. Ik ben hier als een van de eersten gekomen, dus voor sommigen ben ik een voorbeeld, ook al ben ik jonger dan de meesten van hen. Ik knik en ga aan een tafel zitten. De gesprekken beginnen weer.

Ik kijk om me heen. Wouter en mijn kleinere broertje, Louis, zitten aan de tafel, samen met Wouters beste vriend Niek en Louis’ vriendinnetje die samen met hem op het platteland woont, Sofia. Ik zeg gedag en neem een deel in het gesprek over de buitenwereld en hoe ze daar er nu aan toe zijn.

Wij zitten op een goede plek. De Titaan is een geweldige leefplek, als je naar de rest van de wereld kijkt. Ik weet niet hoe het was voor de Krimping, maar ik weet zeker dat de aarde prachtig moet zijn geweest. Vol leven, zonder zorgen. Nu is het dood, levenloos en alles behalve prachtig. Het begon allemaal met de Krimping. Het heelal begon langzaamaan kleiner te worden, maar elke seconde versnelde dit proces. Door het plotselinge verschil van zwaartekracht, begonnen de planeten te verplaatsen. Door het krimpen kwamen we dichter bij de zon, maar Uranus en Neptunus gingen juist verder van de zon af. De maan kwam dichterbij en de tij veranderde. Blijkbaar veranderde de zwaartekracht in het hele heelal, want de banen van sommige kometen veranderden. Een van de grotere kometen, wij noemen hem de Breker, kwam recht op onze aarde af. Deze komeet had de kracht van een atoombom en hij activeerde een supervulkaan, de Groter. Door de uitbarstingen van deze vulkaan, kwamen alle supervulkanen in actie. De donkere wolken die uit deze vulkanen kwamen, blokkeerden het zonlicht, waardoor er een ijstijd op aarde kwam. Communicatie viel weg, mensen gingen dood, maar de mensheid bleek sterker te zijn dan de natuur haar wil. Na zeven jaar donkerheid op aarde, waren de wolken een soort van weg. Mensen gingen weer naar buiten. Maar door de stoffen die in de lucht waren gekomen, werden veel mensen ziek en doordat de mensheid niet sterk meer was, konden die ziektes zich snel muteren.

VirusLees dit verhaal GRATIS!