Hoofdstuk 27

41 7 4
                                                  

"Roy! Kom vlug, de grond!"

De ruwe onderbreking deed hem wankelen en bijna viel hij opzij in het ijskoude water. Zijn blik schoot naar zijn voeten, hij stond niet op grond, hij stond op houten planken. De jongen die hem riep, gebaarde wild met zijn handen en viel toen op zijn knieën. Dat was het moment waarop Roylen het ook voelde. De steiger schudde. Niet vanwege golven die er tegenaan sloegen, maar vanwege de grond. De grond bewoog.

Voor zijn ogen begon de muur rondom het resid te schokken en plotseling sloeg er een golf over zijn voeten. Het water, dat enkele minuten geleden nog kalm was geweest, leek plotseling op een kolkende massa. Hij was blij met zijn dikke laarzen, die zijn voeten beschermden tegen bevriezing.

"Roy? Wat is er aan de hand?"

"Een beving."

Op handen en voeten kroop hij van de steiger af, die achter hem van de oever losscheurde en in de golven verdween. Zo snel hij kon, kroop hij naar de jongen die huilend in een hoopje op de grond lag. Hij boog zich over hem heen en steunde op zijn onderarmen. Zijn benen waren koud en hij was blij met zijn dikke jas, maar hij moest weten of ze hier veilig waren en dus trok hij zijn want los en stak zijn vingers in de sneeuw.

"Roy, wat doe je, ben je gek?"

Lajinthe's paniekerige stem tetterde door zijn hoofd, maar hij moest dit doen. Zijn vingers vonden de grond onder de witte laag en met zijn gave reikte hij zo ver hij kon. Thila was half op een plateau gebouwd, een zelfde soort plateau als dat onder Katrin lag, maar deze was een stuk instabieler. Hij duwde zijn gave voort tot ver voorbij de grens waar hij tot nu toe geweest was en zag met zijn geestesoog waar het plateau los brak van de bergen. Voorbij het resid, voorbij het woud, helemaal tot aan de voet van de steile rotswand waar nooit enig licht kon komen, daar boorde hij zijn gave de grond in.

Vloeibaar gesteente vormde een woeste massa dat een weg zocht naar de oppervlakte. Was dit wat Lajinthe bedoelde met een vulkaan? Hier, op Elodie? Hoe kon dat? Al die jaren was er nooit iets gebeurd en nu opeens dit.

Zijn lichaam schokte, toen de grond onder hem een stukje leek te zakken en even was hij zijn grip op het gesteente kwijt. Kon hij hier iets aan doen? Hij moest het proberen? Met moeite trok hij zijn hand terug en met trillende lippen blies hij een beetje warme adem op zijn vingers. Het deed pijn toen hij de top van de want weer terug schoof. Pijn was goed. Dat had hij intussen geleerd.

Het schudden werd minder, maar betekende dat, dat het onder de grond ook rustiger werd? Ondanks de protesten van Lajinthe, maakte hij zijn andere want los met zijn tanden en zette zijn linkerhand in het gat dat zijn rechter gemaakt had.

Nee. Het trillen mocht dan wel minder worden, de vloeibare massa kolkte nog steeds en zocht een uitweg. Roylen fronste, een uitweg. Hij moest een uitweg maken, zodat de lava niet omhoog zou klimmen. Zijn vingers groeven zich in de ijzige aarde en met al zijn kracht dwong hij de stenen te doen wat hij wilde.

Kilometers verderop, onder metersdikke lagen sneeuw, aarde en steen, kreeg de stroom, die oplichtte in zijn gedachten, maar tot nu toe nog niet zichtbaar was geweest voor het blote oog, een nieuwe route. Weg van de smalle opening die ontstaan was in de berg en die recht omhoog liep, als een schoorsteen. Roylen dwong het gesteente aan de kant en maakte een tunnel waardoor de dikke, stroperige materie nu langzaam zijn kant op kwam.

Sneller, hij moest sneller werken. Zijn gave duwde de stenen omhoog, verder en verder zodat de lava door kon stromen.

"Kom op", bromde hij vanachter zijn linkerhand, die weer redelijk opgewarmd was. Hij maakte een vlugge berekening in zijn hoofd en nam een besluit. Zonder zijn werk onder de grond te pauzeren, trok hij de hele want uit en legde zijn rechterhand naast de linker. Hij liet zijn schilden zakken en liet de gave door zich heen stromen. Alles om hem heen verdween, de kou, het gejammer van de jongen, die onder hem vandaan gekropen was en verwoede pogingen deed om Roylen met hem mee te krijgen naar het resid. Hij werd één met het gesteente rondom hem en opeens kon hij zien. Opeens was de Gedeon geen onherbergzame, gapende leegte meer. De bergen lichtten op, zoals de lijnen van de holoprojector. Contouren van de rotsen verschenen in zijn gedachten. Piek na piek tekende zich af in de duisternis. Hij herkende het materiaal, het was het glasachtige spul dat hij in Alura had gezien. De pieken werden korter, scherper en lager bij de grond, tot ze overgingen in een zwijgende zee van glas. En de hele tijd dwong hij de lava in de richting van Aléma.

De Nieuwe Wereld deel 7: Elodie's ErfgoedWaar verhalen leven. Ontdek nu