Hoofdstuk 26

47 7 9
                                                  

Het stel, een man en vrouw wiens kinderen al uit huis waren, konden hem nog veel meer vertellen over het donkere westen. Soms had Roylen het idee dat ze hem expres op stang probeerden te jagen.

Hij had wel eerder in westelijke richting gereisd, maar voorbij de grens van het schemergebied was hij nog niet gekomen. De lucht boven zijn hoofd leek niet echt van kleur te veranderen, maar wanneer hij na een lange dag reizen, stopte en achterom keek, dan was het toch een heel stuk donkerder dan eerst. Alle kleur verdween langzaam, tot hij niet veel meer kon onderscheiden dan donkergroen, donkerblauw en grijs.

"Ik heb me nog nooit zo Elodisch gevoeld", grapte hij, kijkend naar zijn handen.

Ze waren gestopt om de derde laag kleding aan te trekken. Dik geweven schapenwollen sokken, een even dikke broek en een met bont gevoerde jas met warme muts. Daaronder droeg hij al een dikke trui over een nauwsluitend shirt met hoge col en capuchon en een legging. Om het af te maken kreeg hij handschoenen waarvan de top losgemaakt kon worden, zodat hij zijn vingers kon gebruiken.

"Nu ben ik er helemaal klaar voor."

"Ik wilde dat ik je kon zien."

Lachend reageerde Roylen: "Ik zal proberen een spiegel te vinden."

Steeds langzamer vervolgden ze hun pad, terwijl het steeds donkerder werd rondom hen. De weg was goed onderhouden, ook hier, waar het onherbergzaam voelde en Roylen zich voor het eerst iets kon voorstellen bij het spannende verhaal waar hij als kind zo van hield.

Vanaf zijn plekje achter de bok, in de huifkar, vroeg hij, half schreeuwend tegen de koude wind in: "Het verhaal van Nailow, dat komt uit Alura, toch? Is dat echt gebeurd?"

Oven zijn schouder kijkend antwoordde de bode: "Jazeker, Nailow was een bewaarder in opleiding die met een aantal andere leerlingen op werkbezoek ging in Alura, toen het net was opgericht. Hij redde een meisje van een lewk, die daar de boel op stelten zette."

Lajinthe, die meeluisterde, vroeg: "Vraag of hij het dier getemd of gedood heeft?"

Hij deed het en kreeg als antwoord: "Tja, daar beginnen de versies van elkaar te verschillen. De een zegt dit en de ander dat. Er is ook een versie die zegt dat het meisje, Quela heette ze, het dier getemd heeft. In ieder geval, Nailow verbond zich aan het meisje en bleef daar wonen. Hun nageslacht woont er nog steeds."

Roylen week weer naar achteren en wreef zijn handen tegen elkaar. "Het is echt mega koud, hier."

"Ik loop in mijn shirtje."

"Ha ha."

Voor aan de huifkar hingen twee lantaarns, het glas van de linker was rood gekleurd, zodat tegenliggers wisten aan welke kant ze konden passeren. Aan de achterkant hingen er ook twee. Toen Alura eindelijk in zicht kwam, had Roylen al een hele tijd niets anders meer gezien dan waar het licht van de vier lantaarns op scheen. Ze reden door een poort van een muur die, zo vertelde de bode, het hele resid omringde. De muur was niet hoog, maar zorgde voor veiligheid. Geen kind kon op deze manier per ongeluk het woud inlopen en verdwalen. Er waren drie poorten in totaal, waarbij grote vuren brandden. Brede wegen werden om de paar meter verlicht en hier lagen de huizen juist dicht bij elkaar.

De huifkar werd gestald in een grote schuur. Voor de ossen, die de kar getrokken hadden, was een koraal naast de schuur. Zij kregen het niet koud buiten met hun dikke vacht.

Met zijn halve gezicht verstopt in zijn muts, keek Roylen zijn ogen uit. Grote stenen korven stonden op regelmatige afstanden langs de wegen die tussen de huizen doorliepen. Elk huis leek wel een witte koepel, was dat nou ijs? Hij keek omlaag en merkte nu pas dat het zachte spul onder de dikke zolen van zijn gevoerde laarzen geen aarde, maar sneeuw was.

De Nieuwe Wereld deel 7: Elodie's ErfgoedWaar verhalen leven. Ontdek nu