Hoofdstuk 11

51 7 6
                                                  

"Ze vindt je lief."

Zwijgend keek hij Lajinthe aan, was ze hem gevolgd? De vraag lag op zijn lippen. In plaats daarvan liet hij zich zakken op zijn hurken en keek naar zijn voeten.

Ondanks het gebrek aan woorden, scheen ze toch te weten wat hij wilde vragen en ze antwoordde: "Ik kom hier graag, als kind was dit mijn lievelingsplekje. Hier heb ik een keer mijn broertjes hengel begraven, toen hij niet wilde stoppen met vissen."

Dat beeld bracht hem aan het lachen.

"Je krijgt de groeten van Navid, hij vraagt zich af waarom je je zoveel afsluit."

Zijn grijns verdween op slag. Deed hij dat? Hij boog zijn hoofd. "Het is niet om hem, het ... het leek me makkelijker."

"Waarom?"

Pulkend aan het zand onder zijn nagels, probeerde hij woorden te vinden om van onderwerp te veranderen, maar iets in Lajinthe's blik zei hem dat ze echt een antwoord wilde. Het verbijsterde hem een beetje hoe moeilijk hij het vond om open te zijn. Dat had hem als kind nooit moeite gekost. Kwam het doordat hij al zo lang had geprobeerd zijn ware ik te verbergen? Wist hij zelf nog wel wie zijn ware ik was? Of was dit juist wie hij was en moest hij nu duidelijk maken aan een ieder die hem gekend had in de eerste tien jaar van zijn leven, dat die Roylen niet de echte was? Zou hij hun beeld van hem heel erg verstoren wanneer hij zichzelf bloot gaf?

"Wat verwacht jij van mij, Lajinthe?" Haar naam op zijn tong proefde zoet. Hij zag dat ze verrast was door zijn vraag.

"Ik? Persoonlijk?"

"Ja. Als je naar mij kijkt, wat zie je dan? Wie zie je dan?"

Haar wenkbrauwen zakten iets, in een frons die nauwelijks een frons leek. "Ik zie gewoon Roylen, mijn neefje, de toekomstige heerser van Elodie. Wanneer hij zichzelf durft te zijn."

Hij zuchtte. "Mezelf." Ook dit vreemde, beeldschone meisje kon niet raden dat hij alles behalve zichzelf was in haar ogen. Misschien moest hij het haar gewoon laten zien. Wat kon het tenslotte voor kwaad. Zijn ouders wisten nu wat hem bezighield. Nou ja, het grootste deel tenminste. Of in ieder geval een deel. Hij schudde zijn hoofd en Lajinthe's wenkbrauwen vormden weer twee driehoekjes. Als er iemand was op heel Elodie in wiens ogen hij juist goed genoeg als zichzelf wilde zijn, dan was het Lajinthe.

Hij pakte haar hand, legde zijn andere hand op de dichtstbijzijnde steen, zocht een mentale verbinding met haar en liet het haar zien.

"Roylen, wat-"

"Shht", suste hij Lajinthe's verwarring. Hij focuste zijn gave op de steen en de omringende stenen die veelal begraven waren onder de aarde. Zoals altijd in zijn gedachten, leken de stenen op te lichten en dat beeld zond hij door. Het moment waarop Lajinthe begreep wat het was dat ze zag, hoorde hij haar verrast haar adem inzuigen. Pas toen werd hij zich bewust van het feit dat hij haar hand in de zijne had en prompt liet hij los.

"Nee, wacht, laat nog eens zien." Nu greep ze hem vast en het duurde even voor hij zich weer voldoende kon concentreren.

"Doe jij dit? Ze lichten niet echt op. Ik heb mijn ogen open, maar ik zie niets. Wat is dit, Roylen?"

Hij slikte. "Ik ... ik ontdekte het vier jaar geleden. Ik kan de stenen voelen, net zoals een zender een ander kan voelen. In mijn hoofd. Ik zie ze en ook de echo's van voetstappen. Alles wat de steen aanraakt of aangeraakt heeft, voel ik, alsof het mijzelf aanraakt."

Haar hand liet hem los en zijn schouders ontspanden. "Vier jaar geleden? Waarom heb je nooit iets gezegd?"

Tja, die vraag zou hij vast wel vaker krijgen. "Ik weet niet goed wat het is en nog minder waarom ik het heb. Behalve dat het me helpt om een goede constructor te zijn, heb ik er verder niets aan. Ik ben al apart genoeg zonder dat ik er ook nog een vreemde gave bij heb."

De Nieuwe Wereld deel 7: Elodie's ErfgoedWaar verhalen leven. Ontdek nu