Hoofdstuk 9

54 8 4
                                                  

Elodie jaar 393

Vroeg op de dag verliet Roylen samen met Paian het studentengebouw, Paian kletste er druk op los over de opdrachten die hij voor school bij zijn grootvader zou kunnen uitvoeren, maar Roylen luisterde niet echt. Hij had een vreemde droom gehad tijdens borg en het beeld wilde hem niet verlaten.

Hij was terug in Dauzat geweest, maar het was niet een Dauzat zoals hij het zich herinnerde. Deze Dauzat was nieuw, stralend wit en volledig leeg. De muren nog in hun oorspronkelijke staat, zonder pleister of verf. Er hadden stemmen geklonken, als van achter een muur. Onverstaanbaar, maar vrolijk. Het gebouw straalde een warmte uit alsof het blij was, de stenen lachten en riepen en Roylen had zich er thuis gevoeld, meer dan hij ooit had ervaren in het gebouw dat ook echt zijn thuis was.

Hij was wakker geworden met een verlangen om samen te smelten met de stenen en een beetje verward had hij een gevoel van teleurstelling moeten verwerken, toen hij helder genoeg was om zich te realiseren dat hij niet eens in Dauzat was.

"Roy? Roylen?" Paian gaf hem een duwtje en bracht hem terug in de werkelijkheid. "Jij was ver weg, heb je gehoord wat ik zei?"

"Sorry, ik had een beetje raar gedroomd. Ik heb je niet gehoord, wat zei je?"

"Ik vroeg of ik je op moest halen tegen etenstijd?"

"Ja is goed, als ik tenminste zo lang bij Arthu mag blijven." Het liefst sloeg hij de schooldag gewoon over en ging hij meteen naar de werkplaats van de constructor. Om zijn ouders echter tevreden te houden, en voorlopig ook nog onwetend, moest hij gewoon zijn verantwoordelijkheden dragen.

"Vast wel, hij heeft op dit moment geen leerling, dus hij zal vast blij zijn met de hulp." Paian bleef even stilstaan en leek te twijfelen. "Ga je het hem zeggen?"

Roylen hoefde niet te vragen wat zijn vriend bedoelde. "Ik weet het nog niet."

"Je ontneemt een leerling constructor zijn plaats als je het niet zegt, dat weet je, hè."

Dat was waar. Een beetje schuldbewust staarde hij naar zijn schoenen. Uiteindelijk zei hij: "Ik zal het hem snel vertellen, oké? Laat me eerst nog even gewoon simpelweg Roy zijn."

"Goed, man. "

Hij kreeg een vriendschappelijke stomp en de jongens namen afscheid, ieder een andere deur door lopend. Het werd een lange dag.

---

"Roy, goed dat je er bent." Arthu stond achter een tafel met een schort voor en een leren veiligheidskap boven zijn ogen. "Grijp een schort en kap van om de hoek en kom kijken. Ik heb het idee dat dit mooie brokje een schat voor ons heeft binnenin."

Zodra Roylen zijn schooluren volgemaakt had, was hij naar het huis van de constructor gerend. Huiswerk kwam later wel. Vlug deed hij wat de man zei en kwam tegenover hem staan.

Voorzichtig zette Arthu een beitel op de steen en gaf een paar tikken met een hamer. Daarna draaide hij de steen een stukje en zette de beitel opnieuw neer. Na weer een paar tikken herhaalde hij de handeling totdat hij helemaal rond was geweest. Er waren nauwelijks groeven van de beitel te zien, maar Roylen wist dat er scheurtjes waren ontstaan over de gehele breedte van de steen. De brok stevig neerleggend, zetten Arthu een laatste keer zijn beitel op de plaats waar hij begonnen was en met één flinke tik, brak hij de steen doormidden.

Roylen zoog zijn adem in bij het zien van de holle, parelmoerachtige kern van de aan de buitenkant ruw uitziende steen.

"Nou, dat is nog eens een schat, vind je ook niet? Je kunt niet veel doen met de steen zelf, het is een decoratief object eigenlijk, maar ik kon hem niet laten liggen. Hij riep naar me, ik moest hem meenemen, ken je dat gevoel?"

De Nieuwe Wereld deel 7: Elodie's ErfgoedWaar verhalen leven. Ontdek nu