Hoofdstuk 7

37 4 2
                                                  


Ik ben met stomheid geslagen, net als de rest. 'Dat kun je? Zeker?'

Hij schokschoudert. 'Ik kan het proberen.'

Mijn hartslag versnelt. 'Oké. Dat is... echt geweldig.' Ik kijk naar Hanns. Een irritante, triomfantelijke glimlach zit op zijn gezicht geplakt. 'Niet slecht,' geef ik schoorvoetend toe.

'Ik vind haar zo wel leuk.' Mender trekt een pruillip. 'Met die veren.'

'En Massa?' Een rukje met mijn kin. 'Wat kan hij? Want ik zweer je dat ik hem het liefste buiten westen timmer.' Ik pers mijn lippen op elkaar en maak een laag grommend geluid. Mender lijkt niet onder de indruk en blijft me met een hemelse blik aankijken.

'Hij is een ritselaar.' Hanns geeft Mender een knipoog. 'Als Wisalt iets nodig heeft, weet Mender het te regelen.' Hij legt gebroederlijk een hand op de schouder van zijn mollige vriend. 'Hij kent iedereen in deze stad, weet alle roddels als een van de eersten en kan zo goed bluffen dat iedereen hem gelooft.'

Ik kan nauwelijks geloven dat het irritante gedrocht met zijn hemelse blik alsof ik een of andere lekkernij ben die moet worden opgepeuzeld ook maar iets voor elkaar kan weten te ritselen. 'En zij?' Mijn ogen weigeren nog langer naar de kwijlende Mender te kijken. 'Wat is haar specialiteit?'

De wangen van Hanns kleuren roder als hij haar aankijkt. 'Ujine zou de beste Valkenier van het hof zijn... als ze een jongen was geweest.' Van zijn woorden druipt de adoratie voor haar.

Ik knik goedkeurend. 'Wat is je wapen?'De rimpel tussen haar wenkbrauwen geeft aan dat ze nog steeds boos op me is. 'Ik heb het netjes teruggelegd.' Ik weiger me te verontschuldigen, een uitleg is alles wat ze kan krijgen.

'Je richtte een pijl op mij,' zegt ze zacht maar met een venijnige ondertoon.

'Echt?' Hanns legt zijn hand op haar onderarm. Zijn eens zo vriendelijke gezicht wordt overspoeld door woede als hij naar me terugkijkt. De donkere ogen van de rest schieten naar mij toe. 

Ik hou hun blik vast. 'Ik wilde voorkomen dat ze zou gaan gillen en iedereen zou waarschuwen.' Ik ritsel met mijn vleugels terwijl ik mijn blik los ruk van hun indringende ogen. 'Ik had hem alleen los gelaten als ze was gaan gillen.'

Ujine sist tussen haar tanden. 'Verentrut.'

'Gordijntje.'

'Zo is het wel genoeg!' Hanns gaat als een barrière tussen ons instaan en draait zich dan naar Ujine toe. 'Laat haar maar wat zien je kunt.' Dan draait hij zich terug naar mij. 'Dan zul je begrijpen dat jij degene bent die geluk heeft gehad.'

Ik snuif verachtelijk als Ujine een stap naar voren zet tot ze voor Hanns staat. 'Ik heb een degen dat speciaal voor mij is ontworpen.' Vanonder haar mantel komt een blinkend metaal tevoorschijn. Het slanke, dunne blad glimt als ze haar hand een kwartslag draait. In een vliegensvlugge beweging steekt ze het wapen naar voren, alsof ze me zo aan haar degen wil rijgen.

Ik verroer me niet en fixeer mijn ogen op het handvat. Het is bedekt met ornamenten en edelstenen, een teken dat het een kostbaar geschenk is geweest. Het wapen is met liefde gemaakt. Verfijnd en vrouwelijk, maar waarschijnlijk niet minder dodelijk, want de randen glinsteren van scherpte.

Sierlijk slaat ze een paar keer in het luchtledige, de punt slechts een paar centimeter verwijdert van mijn gezicht. Haar slanke lichaam is lenig en soepel op plekken die vermoedelijk de aandacht van mannen trekken, en elegant op andere.

'Ik zie dat je flink geoefend hebt,' zeg ik droog en geef geen krimp.

Abrupt stopt ze haar bewegingen. 'Mijn vader heeft geen zonen en mijn zussen weigeren iets aan te raken wat maar jongensachtig lijkt.' Ze haalt nonchalant haar schouders op. 'Tijdens de trainingen had ik mijn vader helemaal voor mij alleen. Het schiep een band.'

'Mooi. Daar...' ik wijs met mijn vleugel naar het degen: ' ...kunnen we wat mee.' Een voor een bestudeer ik de jongeren die voor me staan tot een diepe zucht over mijn lippen rolt. 'Ik zal het ermee moeten doen.' Ik sta op en de trede kraakt door het gemis van mijn gewicht. 'Laten we naar buiten gaan.'

'Wacht even.' Hanns steekt zijn hand naar me uit. 'Wisalt. Waar kunnen we haar het beste transformeren?'

Wisalt krult zijn wijsvinger om zijn kin. 'Om de juiste concentratie maanstralen te vangen, moet het prisma, dat in de juiste hoek moet worden gehouden of had ik dat al gezegd, want weet je, een afwijking aan de...'

'Winalt! Nogmaals strek ik demonstratief mijn vleugels uit. 'Kort en duidelijk graag.'

'Wisalt. Het is Wisssalt,' zegt hij met gebalde vuisten. Hoofdschuddend slaakt hij een diepe zucht. 'De toren van de tempel. Met opengesperde ogen staar ik hem aan. 'Het is het hoogste punt in de stad.' Met vlakke handen wijst hij naar boven om zijn woorden te verduidelijken. 'Het dichtste bij de maan.'

Hanns schudt bedenkelijk zijn hoofd. 'De tempeltoren kijkt uit over het marktplein. Iedereen die een bezoek brengt aan de drankhuizen kan ons, haar, zien.' Zijn zachte stem klinkt eerder bezorgd dan angstig.

'Lager betekent langer wachten, met de kans dat het helemaal niet werkt,' is het enige dat Wisalt als verweer geeft. 

'Maar hoe krijgen we haar daar?' Ujine wijst met uitgestoken hand naar mijn lichaam. 'Zo niet.'




Swanenzang - Watty Award Winner {YA Fantasy/Fairytale retelling}Waar verhalen leven. Ontdek nu