Hoofdstuk 3

70 8 2
                                                  

Ik schud mijn hoofd dat pijn doet van het bonken. De bliksemschichten in mijn lichaam dwingen mij op mijn knieën en schreeuwend en kreunend verander ik in een swanette. Veren ruisen langs elkaar, mijn huid trekt en plooit om ruimte te maken voor de aanhechtingen. Als ik stuiptrekkend op de grond lig van de pijn van de wissel, kraakt de trap onder een gewicht dat langzaam dichterbij komt.

'Welkom.' De glimlach op zijn goudbruine gelaat is het eerste wat ik zie. 'Je bent veilig, hoor je?'

Achter de deur klinken de gedempte geluiden van rennende mannen die schreeuwend aanwijzingen geven.

'Hier.' Met een klein sprongetje van de laatste trede staat de jongen voor mij en slaat de wollen mantel die tijdens de wissel op de vloer is gegleden om mijn schouders. Mijn gescheurde bovenkleding hangt in flarden om mijn getransformeerde lichaam. Mijn vleugels zijn groter en forser dan mijn armen en het lukt hem niet de cape om mijn schouders te hangen.

'Laat maar.' Mijn stem klinkt zacht en breekbaar. Ik voel me naakt nu iemand anders dan de swanettes mij in deze gedaante ziet. Ik kijk naar mijn lichaam dat deels bedekt is met witte, donsachtige veren die als een harnas mijn lichaam omhullen. Mijn fluwelen broek is het enige kledingstuk dat niet is stuk gegaan.

'Heb je water nodig?' De jongen houdt zijn hoofd schuin en tovert een brede glimlach op zijn gezicht. Zijn blonde krullen omringen zijn gezicht als een bloemenkrans.

'Grappig, maar niet heus.' Iedereen in dit verdomde land weet dat swanettes alleen door water volledig transformeren in zwanen. Ik probeer mijn vleugels zover mogelijk in te vouwen om te voorkomen dat ik hem omver zwaai. Ik draai mijn iets langere, slanke nek en bestudeer de hal of ik nog iemand kan ontdekken. Het is al erg genoeg dat hij me zo ziet, nog meer getuigen en ik heb de anderen nodig om ze uit de weg te ruimen.

'Ik ben alleen.'

Ik knijp mijn ogen tot spleetjes en werp hem mijn minst vriendelijke blik toe. 'Als je van plan bent mij te doden, dan komt dat je duur te staan.'

Onverschillig haalt hij zijn schouders op. 'Een dank-je-wel zou aardig zijn.'

Zijn gegrinnik laat mijn bloed koken. 'Hoe kon ik je horen?'

'Dat zou ik ook wel eens willen weten.' Zijn glimlach bevriest als hij zijn armen verdedigend voor zijn lichaam vouwt.

'Jij stuurde mij hierheen.'

'Ík dacht dat ik droomde. Tot ik die deur hoorde. Toen wist ik dat het echt was.'

'Ík moet terug naar het meer.'

De jongen schudt zijn hoofd en loopt langs mij heen naar de deur. Ik kijk hem na. Zijn lichtbruine tuniek is met een bewerkte riem bijeengebonden. Zijn leren, smalle broek omsluit zijn gespierde bovenbenen als een tweede huid en zijn geur die een paar seconden blijft hangen, ruikt naar natte bomen na een hevige regenbui.

'De swanettes zullen me zoeken en misschien zelf gewond raken.'

Met een paar klikken vergrendelt hij de deur.

Veerdomme. Hij sluit me hier op. De anderen weten niet dat ik hier zit. 'Mijn zang zal ze hierheen lokken. We laten niets van je over.'

Hij kijkt mij met een smalende blik over zijn schouder half lachend aan. 'Jouw zang zal iedereen naar dit huis sturen. Ze zouden je uit elkaar rukken om een veer te kunnen bemachtigen.' Met zijn kin maakt hij een gebaar naar mijn vleugels. 'Als je wilt blijven leven, zou ik me maar koest houden tot de zon is ondergegaan.'

Ik snuif, maar houd mijn mond. Als ik zijn woorden moet geloven zal hij me vanavond laten gaan. 'Waarom?'

Hij trekt zijn rechterwenkbrauw hoog op.

'Waarom help je mij?'

Hij tovert een geheimzinnige glimlach op zijn gezicht. 'Eerst ontbijten.'

Ik buig mijn hoofd. Ik heb geen keuze. Ik kan alleen maar hopen dat hij me echt wil helpen.
'Laten we naar boven gaan. Je ziet eruit als een gescheurd kussen na een wilde nacht.' Als afsluiter grinnikt hij en draait zich om naar de trap. Ik verbaas mij om zijn moedige gebaar. Niemand keert zijn rug naar een swanette. Misschien is hij een onnozele en weet hij niet hoe gevaarlijk dat is? Eén uithaal en ik breek al zijn botten.

'Kom je nog?' Halverwege de trap draait de jongen zich half om en houdt zijn hoofd schuin wachtend op een antwoord.

Ik mompel een verwensing als ik richting de trap loop. Zolang ik hem nog nodig heb, kan ik maar beter doen wat hij zegt.



Swanenzang - Watty Award Winner {YA Fantasy/Fairytale retelling}Waar verhalen leven. Ontdek nu