Hoofdstuk 2

94 9 0
                                                  


De geur van aangebrand vlees, aangekoekte urine en verschraald bier hangt als een verstikkende deken om mij heen. Ik vind de stad smerig, vooral in vergelijking met de schone lucht rond het meer waar we nu al zo lang verblijven. Steeds meer vervreemd ik van mijn oude thuis.

In de verte zit Rimona bier te drinken met een paar kooplui. Ze heeft haar laars tegen de versleten rand van de tafel gezet en laat de dolk keer op keer als een tol in de palm van haar hand draaien. Zo te zien heeft ze het prima naar haar zin, maar ze heeft zich dan ook altijd al op haar gemak gevoeld in de stad. Ik voel me steeds minder prettig tussen de hoge huizen die alle zicht ontnemen, de harde geluiden en de indringende stank van teveel mensen op een te klein oppervlakte. Ik snak naar de rust en schoonheid van de natuur. We wonen er misschien al te lang.

De mannen hangen aan Rimona's lippen en kijken begerig naar haar lichaam dat niets te raden overlaat in de strakke broek en mouwloze top. Ik kan het ze niet kwalijk nemen. Ze is uitdagend gekleed en weet met haar verleidelijke bewegingen de sensuele welvingen van haar lichaam te benadrukken. Dat is wel wat anders dan de in lappen gehulde vrouwen die de kooplui overdag zien. Ze maken echter geen schijn van kans bij haar. Rimona glimlacht als haar ogen de mijne ontmoeten. In dat korte moment bevestigt ze dat ik de ruimte krijg om mijn taak te doen.

Ik ruk mijn blik van het tafereel los en loop naar het volgende huis. Met samengeknepen ogen controleer ik het hout onder de dakrand boven de voordeur. Geen merkteken. Met mijn dolk kras ik een vluchtig kruis. Voorzichtig glip ik naar binnen, wacht even tot ik zeker weet dat er niemand is, en begin dan aan mijn sluiptocht naar de achterkamer. Ik kijk een tel om de hoek naar de grote, eikenhouten altaar-kast tegen de wand, de deuren bewerkt met zoveel krullen dat het reliëf pijn doet aan mijn ogen. Met gebogen lichaam loop ik ernaartoe. Ondertussen kijk ik op mijn tijdganger. De veerwijzers geven aan dat ik nog veertien minuten heb, voordat de zon opkomt en ik terug zal wisselen. Ik pak de klink van de kastdeur vast en tegelijkertijd klinkt achter mij het geluid van slepende sloffen op de zanderige, stenen vloer. Veerdomme. In een reflex duw ik mijn lichaam tegen de zijkant van de kast en maak me zo dun mogelijk. Ik laat mijn ogen door de ruimte glijden en laat ze rusten bij alle mogelijke ontsnappingsroutes totdat ik tot de conclusie kom dat er geen andere uitweg is dan de gang waardoor ik ben binnen gekomen, dezelfde gang waaruit de stemmen steeds luider klinken.

'Als je maar niet denkt dat ik gehuld in oude vodden naar de ceremonie ga.' De meisjesstem klinkt laag en nors.

Een tweetal. Dubbel veerdomme.

'We kunnen toch een paar dagen, een week zelfs als het moet, op water en brood leven? Deze jurk is belangrijk, mam. Iedereen zal er zijn.'

Haar moeder. Altijd nog beter dan haar vader. Ik kijk naar boven en zoek een uitweg, een mogelijkheid om weg te glippen, zonder dat ze mij zien, maar het dak eindigt in een diepe punt en er zijn geen brede balken of planken waarop ik me kan verstoppen.

Een gezette vrouw met opgestoken, honinggele lokken, loopt naar een raam en schudt verwoed haar hoofd. Als ze een kwartslag zou draaien, zou ze me kunnen zien, maar ze draait zich gelukkig van mij af en naar haar dochter toe. Ze pakt het gordijn vast en laat het zachtgele brokaat met goudborduursel langs haar hand glijden. 'Ik kan hier een prachtige jurk van maken, niemand zal het weten dat het oorspronkelijk gordijnen waren.' Gesnuif als dat van een briesend paard klinkt uit de andere hoek van de kamer, gevolgd door een vermoeide zucht van de moeder, wanneer ze van het raam wegloopt. 'Het is het enige wat ik je kan en wil geven, Ujine.'

'Denk je nou echt dat iemand met mij wil dansen als ik een gordijn draag? Mam, toe.' Het gekibbel sterft weg als ze door de gang naar een andere ruimte lopen.

Swanenzang - Watty Award Winner {YA Fantasy/Fairytale retelling}Waar verhalen leven. Ontdek nu