Hoofdstuk 3 - deel 1

Start bij het begin
                                    

            Beneden aangekomen kwam Ilaisar weinig van zijn broeders en zusters tegen. Hij voelde een groot gevoel van rust over hem heen spoelen nu hij in het Huis van de Morgenster was, waar al zijn gelijkgestemden thuis hoorden. Hij trok zijn laarzen uit en hing zijn mantel en hoed aan een vrije haak. Toen liep hij naar een grote zwarte deur en waste zijn handen en gezicht bij een klein fonteintje rechts daarvan. Pas toen ging hij de deur door, om uit te komen in een ruimte waar de geur van bloed als een klap in zijn gezicht sloeg. De muren, de vloer en zelfs het plafond, allen waren glibberig van het rode levensvocht.

            Zonder enige emotie offerde Ilaisar een duif, wiens bloed over de offersteen droop. Het piepkleine hartje at hij in een hap op. De laatste kreet die het beestje uitstootte, liet de andere offerdieren – die in hokken op hun lot wachtte – kleine paniekerige geluiden maken.

            Toen het duivenhart eenmaal door zijn slokdarm was gegleden, voelde hij de macht van zijn Prins door zijn aderen stromen. Een warm gevoel maakte hem meester en hij voelde zichzelf volkomen rustig worden. Hij haalde nog even diep adem en ging toen naar de volgende kamer.

De ruimte die daarop volgde werd verlicht door 13 brandende toortsen, die in een cirkel om een groot offerblok stonden. Boven dat altaar stond een beeltenis van de Prins van de Duisternis die zij aanbaden en aanriepen. Daar stond een man op hem te wachten.

            ‘Hoop en Vrees, meester,’ zei Ilaisar.

            ‘Hoop en Vrees, vriend,’ antwoordde zijn meester. Hij keek – ondanks zijn geringe lengte – duidelijk op Ilaisar neer. ‘Waar hebben wij dit bezoek van jou aan verdiend?’ spotte hij. Ilaisar voelde een knoop in zijn maag ontstaan. Nu wist hij weer hoe erg hij het haatte dat er mensen boven hem stonden. Mensen die de baas over hem wilde spelen. Maar hij moest het volhouden.

            ‘Ik wilde u vertellen over het bloedbad in de Vallei,’ antwoordde Ilaisar met opeengeklemde kaken.

            ‘De dood van Engelen en Demonen, ja, dat is oud nieuws,’ antwoordde zijn meester, alsof het niks voorstelde. ‘Ik weet wel wat jouw rol daarin was, Ilaisar. Dat heeft de Grote mij verteld.’ Ilaisar slikte. Wat was er nog meer over hem gezegd?

            ‘Ja, dat klopt. Ik was er bij. Ik heb geholpen.’

            ‘De dood van de demonen was… Onfortuinlijk,’ besloot de meester. Die met een kromme vinger over het altaar ging. Een roest bruine veeg bleef achter op zijn vinger. Hij rook er aan, likte het toen. ‘Het duurt me te lang, Ilaisar,’ vervolgde de man, toen de leerling niet leek te gaan reageren. ‘De Grote wordt ongeduldig. Je hebt hem grote beloften gedaan, begrijp je dit?’

            ‘Ja, meester,’ antwoordde Ilaisar, die maar al te goed wist wat hij beloofd had. Maar hij wist ook dat het hem niet zou gaan lukken op zijn huidige manier van aanpak. De meester likte zijn vinger af en keek Ilaisar doordringend aan. Zijn lichte blauwe ogen drongen diep bij hem naar binnen.

            ‘Vergeet niet, Ilaisar, dat ik al je verlangens, dromen en gevoelens weet.  Ga niet over de streep,’ siste hij. ‘Maak niet weer zo’n fout. Vertrek nu, en zorg dat de Grote je terecht als een van zijn Kinderen zal zien.’

            ‘Ja, meester’ Ilaisar maakte een buiging en schuifelde naar achter. Nu had hij alsnog niet kunnen spreken over datgeen wat hij wilde bespreken. De munten brandde in zijn zak, maar hij durfde niet nogmaals om de aandacht te vragen.

            ‘Laat een munt achter,’ sprak de meester toen, alsof hij Ilaisar’s gedachten had gehoord. ‘Ik zal hem laten onderzoeken.’ Ilaisar keek achterom, maar de meester stond al met zijn rug naar hem toegedraaid.

Ilaisar viste een munt uit zijn buidel en legde die op de offersteen. Het goud glom in het licht van de toortsen. Dansend door de vlammen. Toen draaide hij zich om op zijn hakken en verliet hij de heilige ruimte. Hij voelde een zaad van twijfel in zijn hart, maar drukte dit onmiddellijk weg. Hij besloot zich er niet meer druk over te maken en sloot zijn zintuigen af. Zwijgend verliet hij de tempel, geen van zijn broeders en zusters begroetend. Een van zijn zusters, waar hij veel contact mee had, keek hem na. Haar mond was getrokken in een smalle streep en haar ogen weerspiegelde haar afkeuring. Ilaisar negeerde het en liep door. Hij wilde zo snel mogelijk terug zijn in het huis van Kersel. Voordat iemand zou merken dat hij weg was.. Nee… Zodat hij tijd had om zijn eigen onderzoek verder te zetten. Maar eerst… Rust. Hij verlangde nu al naar zijn meditatie, waardoor hij sneller begon te lopen. Het gewicht van zijn bepakking en wapens voelde prettig op zijn gespierde lichaam toen hij van een snelle looppas overging in een draf. De spullen – die op zijn rug dreunde – gaven een aangename pijn die hem uit zijn malende gedachtestroom haalde. Heerlijk. Hij kon wel glimlachen. Hij voelde zweet ontstaan op zijn rug en de adrenaline door zijn aderen stromen. Zijn hart moest harder werken. Boem boem boem. Hij nam het ritme van zijn hart aan.

            Maar helaas is het nadeel van een sneller tempo ook dat je sneller thuis bent. Een bekende straat doemde op en Ilaisar vertraagde zijn pas, zodat zijn lichaam tot rust kon komen. Pas toen zijn hart weer klopte als vanouds, opende hij de deur.

VUUR & BLOEDWaar verhalen tot leven komen. Ontdek het nu