Het stoffige relaas van Deirdre en Samhyn

107 2 1

Deirdre en Samhyn vielen met een stofophoestende plof neer in de deuropening van de hoogste kamer des huizes, hun adem zwoegend van de trappenrace. Wie had gewonnen vandaag? Het deed er niet zo veel toe, want er werd hijgend gelachen in plaats van gebekvecht om het opeisen van de eerste plaats, zoals ze misschien wel nog gedaan hadden toen ze jong waren. Jonger.  

Hun kledij – die vast ooit nieuw en kleurrijk was geweest – was nu afgebleekt en opgepluisd van het hiërarchische afdragertjessysteem dat er in het huis heerste. Deirdre’s platinablonde haren waren mat van het stof dat er altijd door de lucht zweefde en met piepende adem door de allerjongsten – die beneden sliepen – werd ingeademd alsof ze menselijke luchtfilters waren.

Maar hier op zolder was het toch nog wel het stoffigst van al. “Ik denk dat ik een stoflong heb”, kuchte Deirde nog een laatste lachje naar buiten vooraleer haar hoofd naar haar kompaan te draaien: zijn hoofd rustte op een zacht kussen van blonde krullen, eerder dan rechtstreeks op de harde houten vloer onder hen. Deirde’s steile lokken boden geen gelijkaardig comfort. “Ik denk dat alleen mijnwerkers die krijgen.” “Wil je zeggen dat ik geen stoflong kan hebben?” “Ik wil zeggen dat het onwaarschij …”

Vier verdiepingen lager, werd er op de voordeur geklopt. Deirde en Samhyn hielden met moeite hun adem in – longen vechtend voor nog een hap lucht na de inspanning van de trappen op te hollen – om ernaar te luisteren. En jawel: na misschien een halve minuut hoorden ze de deur openkraken en weer dichtvallen met een slag. “Hallo? Is hier iemand? Ik … ik ben er.” 

Gelijktijdig lieten een jongen en een meisje in de deuropening van een stoffige zolder een geïrriteerde zucht uit. Een nieuweling. Nou … Dat was lang geleden.

“Kunnen we doen alsof we dat niet gehoord hebben?” vroeg Deirdre aan de jongen naast haar. Geen van beiden maakte aanstalten om op te staan. Ze lagen op hun rug op de harde houten planken die op dat moment comfortabeler leken dan hun aftandse matrassen op de derde verdieping en staarden naar het plafond, terwijl de nieuweling door de hal stommelde – vermoedelijk met koffers vol semi-nieuwe kleren die in het afdankertjessysteem terecht zouden komen.

Zou hij dezelfde maat als mij hebben?, vroeg Samhyn zich af. Maar wat hij zei, was: “Als hij tegenvalt, is het aan jou om hem te vermoorden.”

Deirdre behoefde geen herinnering aan het feit dat het haar beurt was, en nam het haar enige vriend niet in dank af dat hij dat toch gedaan had. Ze stond op, veegde het stof van haar vaalroze poppenjurk en staarde neer op Samhyn: “Hem vermoorden is misschien mijn taak, maar hem rondleiden is die van ons allebei.”

Een koffer werd de trap opgesleurd met weinig respect voor wat er overbleef van het ooit prachtige houtwerk.

Twee verdiepingen lager dan waar Deirdre en Samhyn het zo lang mogelijk probeerden uit te stellen om de nieuweling te gaan ontmoeten, had Fré – want zo heette de nieuweling – zijn langgerekte lichaam door de deur van een overduidelijk onbewoonde kamer geplooid en zat hij op het ongedekte bed te wachten. Toen een lichtblond meisje in de deuropening verscheen stond Fré op en stootte hij het hoofd tegen de kale gloeilamp die toch niet meer werkte.

“Hij is wel groot”, zei het meisje tegen iemand op de gang die buiten Fré’s zichtveld stond. Het instemmende geluid waarmee de persoon antwoordde, deed Fré vermoeden dat het om een jongen ging die niet veel ouder of jonger dan hemzelf was. Misschien wel iemand die zijn broer had kunnen zijn, in een ander leven. Ware het niet dat de onbekende jongen – toen die eindelijk in Fré’s zichtveld trad – helemaal niet op de lange nieuweling bleek te lijken. 

[TO BE CONTINUED?]

Het stoffige relaas van Deirdre en SamhynLees dit verhaal GRATIS!