*

32 4 2
                                                  

Ik laat me langzaam in de stoel naast Alex' ziekenhuisbed zakken. Mijn hart klopt op hetzelfde ritme als de eentonige piep van de monitoren. Mijn blik is op Alex' gezicht gericht. Zijn bleke gezicht is ingevallen, zijn ogen zijn vredig dicht, vanuit zijn neus lopen een stuk of drie slangetjes naar grote apparaten waarvan niemand op de aardbol de functie van weet. Zenuwachtig tik ik met mijn voet op de grond. Ik zeg niets, ik beweeg niet, ik zit daar alleen maar. Misschien wel voor de laatste keer. 

Ik laat mijn hand naar zijn hand glijden. Voorzichtig geef ik er een kneepje in. Hij voelt koud. Bijna net zo koud als mijn hart. Ik voel hoe mijn ogen zich vullen met tranen. Gefrustreerd veeg ik ze weg met mijn mouw. 

'Fuck, man.', mompel ik zacht. 

Ik zie het voor me hoe Alex me zou uitlachen. Ik bij zijn bed. Afscheidnemend. Hij zou erom lachen. Hij zou net zolang lachen totdat we beide op de grond rollen van de pijn. De mooie pijn, niet de pijn die hij had. Alex gaat dood. Zo, dat is gezegd. Eindelijk iemand die het zegt. Hij gaat dood, en het is zwaar klote, want hij neemt mij niet mee. Ik staar naar mijn beste vriend. Zijn borstkas beweegt rustig op en neer. Hij ademt nog. Ik laat me achterover zakken in mijn stoel. 

'Ik haat je Alex.', fluister ik zacht. 

Ik meen het niet. Tuurlijk zou ik het niet menen. Alex is mijn beste vriend, maar op dit moment kan ik niet anders dan hem haten. Hij laat me achter. Hij laat me achter in deze verschrikkelijke wereld, die hij juist iets minder verschrikkelijk maakte. Alex gaat dood en ik kan niks doen. Ik bijt mijn tanden stevig op elkaar. Klote. Alles is op dit moment zwaar, zwaar klote. Ik sluit mijn ogen kort. Hoe zijn we hier in godsnaam terecht gekomen Alex? Hoe?

UnpluggedWhere stories live. Discover now