IV

2K 103 24

Horace werd weer vroeg wakker. Hij keek om zich heen. De zon was nog niet opgekomen dus kon hij nog niet veel zien. Hij stond op en rekte zich eens uit. De wind blies nog steeds om hem heen. Horace vroeg zich verbaasd af of het nog zou gaan regenen. Hij keek naar de lucht die langzaam blauwer werd. Er waren geen wolken te zien. Het zou best lekker weer kunnen worden. Horace wachtte tot de zon verder op kwam. Een eerste straal schoot over de horizon heen en Horace warmde zijn gezicht er in. Het werd tijd om verder te trekken. Hij stond op, deed zijn tas op zijn rug en begon weer te lopen. Hij liep stevig door en legde die dag een grote afstand af. De dagen daarna nam hij telkens hetzelfde ritme. Vroeg slapen, vroeg opstaan en lekker rustig aan lopen. Hij was al zo ver gevorderd dat hij niemand meer achter zich kon zien, zelfs niet als hij een hoger gelegen punt opzocht. Het weer werd warmer en warmer. Horace liep stevig door maar merkte dat hij sneller dorst kreeg. Hoe verder hij kwam, hoe feller de zon leek. Hij besloot tussen de middag ook halt te houden omdat de hitte dan bijna ondraaglijk was. Hij zocht dat een grote steen op waar hij achter ging zitten en wachtte dan totdat de zon zijn hoogste punt voorbij was.
     Omdat Horace steeds hoger in de bergen kwam werd de lucht ook ijler en kreeg hij meer moeite met ademen. Maar hij zette stevig door. Dag na dag liep hij. Een paar keer viel hij bijna door de losse stenen en hij werd een keer bijna geplet door een lawine maar verder gebeurde er niks. Hij kwam dan ook zonder kleerscheuren aan bij de vulkaan Embror. Horace voelde de hitte van de vulkaan onder hem. Hij was al jaren niet uitgebarsten maar de lava stroomde nog steeds in de vulkaan. Horace rilde. Daar wil ik niet invallen, dacht hij bij zichzelf. Hij keek nu verder rond en zag een eind verder een man staan. Hij had een lange mantel om en Horace kreeg het al warm als hij naar de man keek. Hij liep in de dunste kleren die hij had, en deze mantel zag er bloedheet uit. Hij begon op de man af te lopen. ‘Gegroet.’ zei de man toen Horace dichterbij kwam. Horace zag dat de man een grote tafel voor zich had staan met allemaal verschillende stenen erop. ‘Gegroet Wijze op de Embror. Ik ben gekomen voor de steen.’ De Wijze knikte. ‘Vertel mij eerst uw naam.’ zei hij rustig. Horace rechte zijn rug. ‘Mijn naam is Horace, zoon van Cedric, die de zoon is van Kraig.’ De man keek Horace aan. Het gezicht deed Horace denken aan dat van Merrik, alleen dan met een nog langere baard. ‘Je hebt een naam op trots op te zijn, Horace zoon van Cedric.’ Hij bewoog langzaam zijn hand naar de tafel. Zijn hand bleef even zweven boven de verschillende stenen die er lagen en pakte er toen eentje. Hij deed zijn hand open en bood Horace de steen aan. ‘Neem deze steen. Jij weet het niet maar hij bezit meer waarde dan je denkt. Zorg er goed voor en raak hem niet kwijt.’ Horace keek naar de steen. Het was een mooie gladde steen, een beetje ovaal van vorm. Horace pakte de steen en bewoog hem in zijn hand. Hij leek van kleur te veranderen. Dan was hij weer rood, dan weer geel en dan weer groen of blauw of paars. Horace keek er vol belangstelling naar en borg hem toen op in het zakje dat hij ervoor had gekregen. Het zakje had een touwtje en Horace deed hem om zijn nek. ‘Bedankt Wijze op de Embror. Ik zal het beschermen zolang ik leef.’ De Wijze knikte goedkeurend. Horace wou al weer weglopen toen hij zich bedacht. Hij draaide zich nog weer om naar de man. ‘Zou ik nog iets mogen vragen?’ De man stak zijn hand uit in een gebaar dat hij door moest gaan. ‘Weet u ook hoe lang ik tot nu toe onderweg ben geweest?’ De man knikte. ‘Een wijze vraag, van een wijze jongeman. Uw benen hebben u hier snel gebracht. Slecht 22 maal is het nacht geweest, en op deze 23ste dag bent u hier verschenen.’ Horace knikte. ‘Dank u wel.’ De man glimlachte. ‘Hebt u nog meer vragen?’ Horace glimlachte. ‘Weet u ook de snelste en veiligste route naar Serres?’ De man bewoog zijn hoofd knikkend. ‘De snelste weg is niet altijd de gemakkelijkste, en de gemakkelijkste is ook niet de snelste.’ De man wees met zijn arm naar het zuiden. De snelste route is recht naar Serres toe, maar deze route is vol gevaren. Beren, en slangen liggen op de loer en de lawines zorgen ervoor dat de weg je ondergang kan worden.’ Hij liet zijn arm nu zakken. ‘De gemakkelijkste weg is degene die u net achter u hebt gelaten. Deze is immers bij u bekend. Maar weet wel dat de gemakkelijkste route niet de waarheid geeft die u misschien nodig hebt.’ De man keek naar Horace. ‘Kies verstandig en neem het pad dat u naar de toekomst zal lijden. Ga nu.’ Horace boog voorover. ‘Ik dank u zeer voor uw woorden Wijze.’ Daarna draaide hij zich om en liep de kant op waarvan hij vandaan was gekomen. Hij herinnerde zich een smal pad dat een paar dagen hier vandaan liep. Het pad leidde eerst even naar het westen, maar Horace kon daarna afbuigen naar het zuiden. Hij liep het pad terug dat hij de afgelopen dagen had gevolgd. Onderweg kwam hij een paar jongens tegen die helemaal uitgeput waren. Ze keken Horace dan verbaasd aan en strompelden daarna verder. Horace glimlachte in zichzelf. Hij was helemaal niet zo uitgeput. Door zijn ritme te volgen had hij slecht het minimale van zijn krachten gevraagd. Bovendien had hij goed gegeten zodat hij fit bleef. De tocht was hem tot nu toe behoorlijk meegevallen maar hij wist dat de terugtocht minstens even zwaar zou zijn als de heen tocht, misschien wel zwaarder.
     Het was de vierde dag sinds hij bij de vulkaan was vertrokken. Hij hoopte tegen het einde van de avond bij het zijpad te komen en daar de nacht door te brengen. Hij liep dan ook al om zich heen te kijken toen hij een grote groep jongens zag staan die naar beneden stonden te kijken. Horace fronste. Wat was er aan de hand? Toen hij dichterbij kwam hoorde hij stemmen. ‘Help me dan toch!’ riep er iemand. Horace ging bij de anderen staan en keek naar beneden. Aan de rand van een richel hing een jongen met beide handen stevig aan het steen geklemd. Ver beneden hem waren de dodelijke rotsen pas weer te zien. Horace keek naar de jongens die stonden te kijken. ‘Hoe is dat gebeurd?’ De jongen haalde zijn schouders op. ‘Ik geloof dat hij uitgleed en toen naast het pad terecht kwam.’ Horace keek naar de jongen die nog steeds hulpeloos hing te bungelen. Plots hoorde hij een andere stem, een bekende. ‘Kun je bij mijn hand?’ Horace boog zich iets verder voorover en zag nu een hand die naar de jongen werd uitgestoken. Het was de hand van Steward. Horace wurmde zich tussen de andere jongens door. Steward stond op dat moment net weer op. Hij zag Horace aankomen en knikte even. Horace knikte ook. ‘Hulp nodig?’ vroeg hij aan Steward. De keek naar de jongen beneden hem. ‘Ik kan er zelf niet bij. Als jij me nou vasthoud dan lukt het me misschien.’ Horace knikte en pakte Stewards hand beet. Daarna ging Steward voorzichtig over de rand terwijl Horace hem stevig vasthield. Steward stak zijn hand uit naar de jongen. ‘Nog ietsje verder.’ zei hij tegen Horace. Hij stond nu met beide benen tegen de zijkant van de rotsen terwijl hij zich alleen aan Horace vasthield. Deze trok uit alle macht om ervoor te zorgen dat Steward niet verder zou wegglijden. ‘Ik houd dit niet lang vol!’ riep Horace uit. ‘Nog maar een klein stukje!’ riep Steward terug. Horace liet Steward nog ietsje verder gaan. En daardoor ging het mis. Het gewicht van Steward werd te zwaar en Horace kon hem niet meer vasthouden. Steward trok Horace mee voorover en Horace kon de rotsen beneden hem al zien.
     Er schoot op het laatste moment hulp tevoorschijn. Horace stond op het punt om zelf zijn evenwicht kwijt te raken toen iemand hem beetpakte. Horace keek achterom. Het was Ewoud. Hij glimlachte naar Horace. ‘Ook al besloot je niet mee te gaan, ik denk dat je nu wel wat hulp kan gebruiken.’ Horace knikte hem dankbaar toe. Nu hij weer stevig stond pakte Ewoud ook Steward beet. Samen konden ze hem verder laten zakken. Steward stak zijn hand uit naar de jongen. ‘Pak mijn hand.’ zei hij. De jongen stak zijn hand uit en Steward pakte hem snel beet. ‘Ik heb hem, trek ons weer omhoog.’ Ewoud en Horace begonnen uit alle macht ter trekken en langzaam kwamen Steward en de andere jongen over de richel tevoorschijn. Uitgeput lieten de vier jongens zich om de stenen vallen en de anderen begonnen te juichen. Steward glimlachte naar Horace. ‘Perfecte timing.’ Horace lachte terug. ‘Het was niet gelukt zonder Ewoud. Als die er niet was geweest waren we samen naar beneden gevallen.’ Horace draaide zich naar Ewoud om. ‘Bedankt.’ Ewoud moest lachen. ‘Ach joh, het stelde niks voor. Jullie konden de hulp gebruiken, en niemand anders hier hielp.’ Die laatste woorden zijn hij harder zodat iedereen het kon horen en hij keek verwijtend naar de andere jongens die om hun heen stonden. Ze keken beschaamd een andere kant op. Horace moest er om lachen. ‘Het is in ieder geval goed gekomen.’ Ze stonden op en klopten hun kleren af. Steward keek naar Horace. ‘Ben je al boven geweest?’ Horace knikte. ‘Ja ik heb mijn steen al. Ik ben onderweg naar Serres.’ Ewoud keek hem bewonderend aan. ‘Dat heb je snel gedaan. Maar volg je nu gewoon dezelfde weg terug?’ Horace schudde zijn hoofd. ‘Nee, ik heb een stuk lager een zijpad gezien die ik wil nemen. Ik denk dat die me sneller naar beneden zal brengen.’ Ewoud knikte. ‘Moet je zelf weten. In ieder geval veel geluk.’ Hij draaide zich om en de meeste jongens liepen met hem mee. Steward bleef nog even staan. ‘Succes dan maar.’ Horace knikte. ‘Jij ook. Het is niet ver meer naar de top. Over vier dagen kun je boven zijn.’ Steward knikte. ‘Bedankt.’ Hij stak zijn hand uit. Horace pakte glimlachend de hand beet en schudde hem. ‘Daar heb je vrienden voor.’

DragonheartLees dit verhaal GRATIS!