Hoofdstuk 33

3.5K 312 96


Een tijd lang verroerde niemand zich. In Genesis' hoofd rinkelende een tiental alarmbelletjes – allemaal gericht op de vijandige, haast jaloerse blik in Duvalls ogen en de arrogante uitdrukking op Syrens gezicht. Op de één of andere manier voelde Genesis zichzelf een handelswaar, te koop aangeboden op een veiling terwijl een menigte van een stuk of honderd man op haar kon bieden waarna de hoogste bieder haar met zich mee mocht nemen.

'Wat is dit toch!' De uitroep ontglipte haar voor ze er erg in had en Genesis sloeg geschrokken een hand voor haar mond. Duvalls groene ogen werden nog een tint groener en hij fronste zijn donkere wenkbrauwen, zichtbaar verbaast. De woede die Genesis verwachtte, leek niet te komen want de Begaafde bleef hen strak aankijken, over het bevroren meer, met nog steeds die kille uitdrukking op zijn gezicht.

'Ult zêg'ur nox dûch Wíl'ynn ôs syllyn,' zei hij onmenselijk zacht, maar toch hoorbaar voor Genesis en Syren. Toen hij de woorden uitsprak, waren zijn ogen op Syren gericht. Onbewust gleed een rilling over Genesis' rug en de haartjes op haar armen kwamen overeind. Dit was niet goed, helemaal niet goed.

Ze kende de woorden niet, maar wist wel uit welke taal ze kwamen. Wat Duvall net had gezegd, waren volbloedwoorden uit de elfentaal. En als iemand die gebruikte, bezat hij oftewel enorm veel macht, of hij wilde een vloek, een gelofte of een zegen uitspreken over iets of iemand. Aan de uitdrukking op Duvalls gezicht ging Genesis voor het eerste.

Syren ademde zwaar naast haar en ze kneep geruststellend in haar hand. 'Is dit was een docent of officier tegen zijn leerlingen zegt?' flapte Genesis eruit.

Duvalls ogen werden groot en hij leek van zijn stuk gebracht. De donkere uitdrukking op zijn gezicht sijpelde langzaamaan weg toen hij zijn mond opende om iets te zeggen: 'Ik...'

Verder kwam hij niet want een luid gegrom verstoorde zijn woorden. Met een ruk keken de drie om en zagen een wolf uit de schaduwen treden. Het was Lupen en hij leek razend. Zijn ambergele ogen gleden van Genesis, naar Duvall en bleven rusten bij Syren. Zijn tanden glommen kil in het zonlicht.

Wat is dit? Zijn woedende stem dreunde in haar hoofd en Genesis kromp onbewust ineen. Wat is de reden dat jullie hier als jonge welpen lijken te vechten om een been? Genesis, ik tolereer het dominante gedrag van geen van deze twee mannen. Zeg ze dat ze uit jouw buurt moeten blijven.

Maar...

Nu! Lupen grauwde zo hard dat zijn hele lijf ervan trilde en zijn wijze ogen stonden moordend. Genesis krabbelde angstig overeind, niet wetend wat te doen. Hij was haar beschermdier – wat betekende dat hij kwam als er gevaar dreigde – en op dit moment leek hij er zeker van te zijn dat ze beter uit de buurt van Syren en Duvall kon blijven. Maar hoe kon een bevel van Lupen op tegen dat van Duvall?

Lupen was een dier – een simpele wolf – geen draak, eenhoorn of harpij. Geen dier dat volgens de legendes net zo nobel als een mens of elf bleek te zijn – toch niet dat ze wist. Dat kan ik niet, Lupen. Dat durf ik niet.

Het gegrom van de wolf verstomde en even viel er een ondragelijke stilte. Syren was achteruit gekropen, ver weg, buiten het bereik van Lupens messcherpe klauwen, maar Duvall had zich niet verroerd. In zijn ogen schitterende iets wat Genesis niet kon omschrijven. Was het... nieuwsgierigheid? Verwachting?

Plots gebeurde er iets vreemds. Lupens ogen verkleurden, vormden vreemde, slangachtige pupillen en zijn gestalte flakkerde – als was hij een geest. Toen zwol hij op, werd steeds groter en het grijs van zijn vacht werd prachtig pikzwart, nog donkerder dan de donkerste nacht. Zijn hoektanden gleden langs zijn lippen omlaag en vormden enorme slagtanden en zijn klauwen leken in grootte toe te nemen. Plots was hij geen gewone wolf meer, maar een machtig monster van zes voet lang.

NOX - De BegaafdenLees dit verhaal GRATIS!