DEEL DRIE

3.2K 273 36

[...] "Vervloekt den Koningszoons!"

Daar de Elfenkoning toe bleek te geven dat zijn zoons een zonde meedroegen, daar werd de vloek waarheid. Terwijl de zoons opgroeiden tot sterke en geharde prinsen, maar zonder moeder, werden zij kille en emotieloze vechters door het missen van de zachte, vrouwelijke hand. Zij leefden aan het rijk den Elfenkoning, rond en in het kasteel. Het volk was bang, maar ook nieuwsgierig, daar de zoons vervloekt bleken te zijn door de dood van hun bloedeigen en menselijke moeder tijdens de geboorte.

Den Elfenkoning wist zich geen raad. Hij van alleen, had zijn eigen woorden ten schande gebracht. Daar hij nooit een kind wilde verwekken met het menselijke ras, had hij uiteindelijk deze twee elfenzoons voortgebracht na zijn paring met de mensenvrouw.

Op een dag zwierven de jongen broers door het woud - dat toen nog wilder was en ongetemd - net als zij. Daar den oudste zoon een jonge, liefelijke elfenvrouwe had gevonden, was de jongste nog alleen. Den jongste was al jaren verliefd op de vrouw van den oudste en smeedde gruwelijke plannen, verbitterd door zijn broer die troonopvolger zou worden.

Op een avond ontmoetten zij elkaar in de donkerste krochten van Imortalum. De broeders praatten met elkaar, den oudste niet wetend wat hem te wachten stond.

"Gij verdient haar niet," had den jongste gezegd. "Zij is te goed voor u."

"Maar broeder, kalmeer. Gij zult uw vrouwe nog wel vinden, misschien morgen of ooit."

Daarop was den jongste ontploft van woede en had hij zijn broer aangevlogen alsof de duivel in hem was gekomen. Verwoed hadden zij gevochten, den jongste zoekend naar bloed terwijl den oudste zich alleen maar verdedigde.

Na een hels gevecht vluchtte den oudste - gewond - weg en bracht zijn vrouwe op de hoogte. Hij beval haar om zich te verbergen in het paleis van den Elfenkoning terwijl hij zijn broeder op het verkeerde spoor zette.

Maar niets was minder waar. Den jongste vond het meisje en probeerde haar de zijne te maken. Hij beminde haar en verleidde haar. Toen den oudste terugkwam, opgeroepen door een innerlijke kracht, zag hij hen zo en hij brak. Niet wetend dat het arme elfenkind niets had durven doen, vocht hij woest met zijnen broeder.

Tijdens het gevecht maakte hij een grove fout en in een moment van wanhoop en woede deed hij iets wat niet te vergeten valt. Hij doodde haar, de jonge elfenvrouwe en stak zijn broeder in de arm. Den jongste trok zich terug, terwijl den oudste neerknielde bij het meisje en zij hem de waarheid vertelde.

Vanaf toen werd den oudste niet meer dan een lichaam. Daar hij nog leefde, leek zijn geest dood. Jaren vocht hij alsof den duivel zelve hem op de hielen zat, zonder stoppen en zonder emotie. De kling van zijn zwaard zong wanneer bloed de lucht in spoot en overal waar den oudste kwam, leefde plots de dood. [...]

Fragment uit het boek Den Elfenkoning ende zijne vervloekte zoons, Heramus Consalon.

Deze afbeelding leeft onze inhoudsrichtlijnen niet na. Verwijder de afbeelding of upload een andere om verder te gaan met publiceren.
NOX - De BegaafdenLees dit verhaal GRATIS!