De man bekeek haar fronsend, zijn blik stond scherp als van een havik en zijn ogen priemden in de hare. Onbewust kromp Genesis ineen en probeerde niet weg te kijken. Ze voelde hoe wantrouwend hij was. 'Waarom?' vroeg hij uiteindelijk.

'Ik ben Genesis,' zei ze snel. 'Het meisje dat hem heeft geholpen, of nou ja, gered. Ik zou graag willen weten hoe het met hem gaat.'

De ogen van de Heler lichten op van herkenning en zijn gezicht ontspande. 'O, ben jij dat? Ik had je niet herkend omdat je zo jong lijkt. Natuurlijk mag jij er wel even heen, maar niet te lang. Heer Duvall is nog herstellende en ieder moment waarop hij gestoord wordt, zorgt dat zijn genezingsproces vertraagd.'

'Dat begrijp ik.'

'Je kan hem vinden in zijn kamer, maar zeg je naam tegen de wachten.'

Genesis bedankt de Heler en ging gehaast op weg. Nu pas merkte ze op dat er inderdaad meer soldaten in de gangen waren gestationeerd, bewapend en met kille gezichten. De leerlingen liepen met een grote boog om hen heen en de sfeer leek versomberd en gespannen. Genesis miste de aangename weken die ze achter de rug had en ze betrapte zich erop dat ze Duvall verantwoordelijk zag voor dit alles.

Toen ze de trappen van de torenkamer bereikte, kwam ze twee wachten tegen die haar tegenhielden. Vol ontzag bekeek Genesis hun donkere uniformen – die hun hoge status aanduiden – en de insignes die hun borst sierden. De mannen stonden strak in het gelid, met hun lansen gekruist voor haar neus toen ze dichterbij kwam.

'Identificeer uzelf,' zei één van de soldaten, een man met bruin haar en verweerde wangen vol littekens.

'Genesis,' zei Genesis ademloos. 'Mijn naam is Genesis.'

De mannen bekeken haar onderzoekend, zagen even later de roos op haar borst en het teken van de Begaafden. Hun gezichten keken iets minder streng toen ze hun lansen weghaalden en de doorgang voor haar vrijmaakten.

'Bedankt.' Toch wel bang schoot Genesis omhoog, de trappen op. Het ging al minder traag dan anders en ze was niet eens meer buiten adem toen ze boven kwam en de prachtige, donkere deur van Duvalls vertrek openduwde. Het verbaasde haar dat die niet op slot was, maar misschien was dat wel de bedoeling; zo konden de Helers sneller bij hem zijn.

Meteen toen ze binnen kwam, bleef ze staan. Heer Duvall zat voor een zwarte piano en zijn vingers vlogen over de toetsen. Genesis bedacht zich dat ze nooit op het ding had gelet, maar nu de Begaafde erop speelde, leek het instrument alle andere spullen in de kamer te doen vervagen.

Duvall droeg geen shirt, alleen een wit verband dat rond zijn onderbuik was geknoopt en zijn brede borst bloot liet. Zijn donkere, losse broek was in zijn leren laarzen gestoken en zijn gezicht stond geconcentreerd. Hij zag er knap uit, dat kon Genesis niet ontkennen.

Net toen ze iets wilde zeggen, begon hij luider en doordringender te spelen. Een donker lied, vervuld met verdriet en pijn, angst en afschuw. De noten slingerden zich door de kamer, gleden naar haar toe en leken in haar lichaam te verdwijnen alsof ze daar altijd al hadden horen te zitten. De muziek klonk onmogelijk triest en Genesis luisterde ademloos, voelde haar ogen prikken. Beelden van vroeger verschenen voor haar ogen. Haar ouders, de brand, haar broer, ziek op bed. De mannen die haar meesleurden en hem achterlieten om te sterven. De rug waarop ze had geslagen en de geur van drank en rook.

Trillend sloot ze haar ogen, liet de muziek als een krachtige golf over haar heen stromen. De noten leken een eigen leven te leiden, alsof ze écht waren, alsof ze uit materie waren gemaakt en vorm hadden gekregen door haar herinneringen en Duvalls kundige vingers.

Toen hij stopte met spelen, merkte Genesis dat de tranen over haar wangen rolden. Ruw veegde ze haar gezicht droog en probeerde te kalmeren.

Nog nooit in haar leven had ze iemand zo mooi muziek horen spelen. In het Castelio waren vele speelmannen geweest, maar geen van hen had zo mooi gespeeld als Duvall. Hij was een natuurtalent.

NOX - De BegaafdenWhere stories live. Discover now