Hoofdstuk 21

3.5K 361 125

De bomen stonden dicht op elkaar als lange, dreigende wachters die een net van takken boven hen hadden gespannen. In de struiken leken tientallen wezens langs te schieten en Genesis dacht dat ze om de haverklap ogen zag opdoemen vanuit de schaduwen die langs hun voeten schoten.

Midden op de dag kon dit misschien nog een mooi woud genoemd worden, maar nu was de mist komen opzetten en bereikten maar bitter weinig zonnestralen de grond.

'We moeten terug,' fluisterde Genesis ademloos toen een tak vervaarlijk kraakte boven haar hoofd en ze greep Syrens arm beet om hem te doen stoppen. 'Er klopt hier iets niet. Het is niet veilig...'

'Je zag Duvall,' mompelde Syren. 'Als we teruggaan, ziet hij ons gegarandeerd en dan zitten we evengoed in de problemen.'

'Ja, maar dit is gewoon gestoord,' antwoordde Genesis en ze keek nerveus rond. 'Er is ons op het hart gedrukt om niet naar dit woud te komen zonder toestemming en wij lappen die regels gewoon aan onze laars.'

'Als we stil zijn en niet opvallen, gebeurt er niets. Wat wil je dan, Gen? Dat Duvall ons betrapt omdat we in het bos waren?' Hij had haar. Ze schudde haar hoofd en probeerde haar toenemende angst te onderdrukken. Syren leek er niets engs aan te vinden want hij bewoog zich soepel tussen de struiken door en keek haast nieuwsgierig rond. 'Ik vraag me af welke wezens hier allemaal te vinden zijn.'

'Vast geen leuke,' mompelde Genesis en volgde hem. Ze kwamen langs vreemde slingerplanten die hun takken naar hen uitstrekten en passeerden akelige holen waaruit lugubere geluiden leken te komen. Gelukkig was niet alles zo duister als Genesis had gedacht want ze zag ook prachtige, kristalheldere meertjes en vreemde, lichtgevende wezens voorbijkomen die haar met vredige ogen nakeken.

'Waar gaan we eigenlijk heen?'

'Geen idee.' Syren hield een tak voor haar opzij en draaide rond. 'Ik geloof dat Duvall nu wel weg is.'

'Ja, en wij verdwaald.' Genesis bekeek de plek waar ze waren en begon terug te lopen, maar binnen een mum van tijd was ze het spoor bijster. Achter haar leek Syren het allemaal wel vermakelijk te vinden. 'Wat maakt het uit?' vroeg hij. 'We zijn hier, samen, dat is toch leuk?'

Genesis snapte wat hij bedoelde. De plek die ze hadden bereikt kon als romantisch omschreven worden, zijnde het niet dat verder, in de schaduwen, duistere wezens naar hen stonden te loeren.

Zuchtend draaide ze zich weer naar hem om. 'Syren...'

Maar Syren had haar al bereikt en zijn lippen vonden de hare. Genesis' weerstand smolt en ze liet zich gewillig meevoeren naar het veldje waar een helder beekje het gras doorkruiste en kabbelend verdween in de langer wordende schaduwen. Samen vielen ze neer op de zachte bosgrond en zoenden verder. Genesis giechelde en keek Syren met stralende ogen aan terwijl hij een paar grassprietjes uit haar haren plukte.

'Ik hou van je,' fluisterde hij.

'Ik ook van jou.' Ze kuste hem opnieuw en vergat alles om zich heen. Het was een perfect moment. Laat Duvalls woede maar komen, dacht Genesis terwijl Syren haar tegen zijn borst aandrukte en ze zwijgend naar elkaars hijgerige ademhaling luisterden. Hij boog zich naar haar toe en opende zijn mond om iets te zeggen.

De grom kwam uit het niets.

Genesis verstarde, voelde haar net nog gloeiend hete bloed door het zoenen in ijswater veranderden en keek met een ruk op. Haar ogen gleden over niets dan duisternis, duisternis en duisternis. Naast haar voelde ze hoe Syren verstijfde en zijn adem sissend naar binnen zoog. 'Genesis...'

'Sst,' fluisterde ze, zoekend naar de bron van het geluid. Eindelijk vond die dan ook. Vanuit de schaduwen staarden twee goudgele ogen haar aan en witte, messcherpe tanden werden ontbloot in een roofdierachtige grijns.

NOX - De BegaafdenLees dit verhaal GRATIS!