Hoofdstuk 8

1.5K 90 6

Het is nog donker wanneer ze wakker wordt van geschommel onder haar, de canvas flap van de wagen laat nog geen licht door. Morgenvroeg, is voor haar vader blijkbaar nog voor de zon opkomt. Spijtig doorzoekt ze haar jaszakken of ze niet heel misschien nog iets eetbaars kan vinden. Een iets betere voorbereiding was in dit geval wel handig geweest. Aan de andere kant, met iets meer voorbereiding had ze waarschijnlijk haar vader gemist en had ze nu wel eten, maar was ze niet onderweg naar de stad.

Spanning racet door haar heen. Dit is de allereerste keer dat ze buiten de nederzetting komt. En dan niet eens naar een naburige woonplaats, maar echt helemaal naar de stad. Heel even denkt ze aan haar moeder, aan hoe zij zich zal voelen wanneer ze over een paar uurtjes merkt dat niet alleen haar man, maar ook haar dochter is verdwenen. Vlug zet ze haar polsband op stil. Met school zal ze ook wel in de problemen komen, al boeit haar dat toch minder dan ze dacht. Misschien kan ze wel in de stad blijven, zich aansluiten bij de ondergrondse. Wat zou dat eigenlijk zijn? Een groep Bewaarders die onder de grond leeft? Ver buiten het bereik van de regering? Ze ziet het al helemaal voor zich, gangen vol met houten meubelen en kratten vol met boeken. Of misschien staan die wel uitgestald, voor iedereen om te zien, om in te kijken en te lezen. Wie weet zijn er zelfs anderen zoals zij, die kunnen praten met de personages.

Ze gaat rechtop zitten en maakt de vlecht los die ze gisteren rondom haar hoofd gebonden heeft. Uit haar schoudertas, die ze gelukkig niet vergeten is haalt ze een borstel en zo goed en kwaad als het gaat, achterin een schommelende wagen, borstelt ze haar haar. Met een eenvoudige vlecht moet ze het vandaag maar doen. Zonder spiegel ziet ze toch niet waar ze alle knipjes en schuifjes moet steken.

Hoe lang zal het duren voordat ze er zijn? Zal haar vader een tussenstop maken? Vast wel. Tien uur achter elkaar rijden is een beetje veel. Ze gaat weer liggen en sluit haar ogen. Meer is er toch niet te doen.

---

De volgende keer dat ze haar ogen opent is het licht. De vrachtwagen staat stil en ze hoort stemmen. Zijn ze er al? Dat kan toch niet? Nee, dit is vast een tussenstop. Onbeweeglijk blijft ze liggen onder de stapel doeken. Als haar vader nu maar niets nodig heeft uit de achterbak.

"Ik zie je op de terugweg!" hoort ze haar vader roepen. Daarna klinkt het geluid van de opstartende motor en opgelucht voelt ze hoe de wagen weer in beweging komt. Op haar klokje kijkend, ziet ze dat het pas half acht is. En dat ze een tiental oproepen heeft gemist van haar moeder. Dan weet haar vader ondertussen ook dat ze weg is. Kauwend op haar wang overweegt ze haar mogelijkheden. Zal haar vader meteen rechtsomkeert maken, als hij ontdekt dat zij hier is? Dat risico wil ze niet nemen, hoeveel honger ze ook heeft. Een ander probleem bied zich plotseling aan en een stuk nerveuzer dan eerst, haalt ze diep adem.

Dan stopt de wagen. Het is net een half uurtje later. Wat is er aan de hand? De voordeur gaat open en voetstappen lopen om de wagen heen. Oh, nee.

Zo diep in de doeken verstopt als ze kan, ziet ze toch dat de flap opzij geslagen wordt.

"Kessia?"

Hij klinkt in ieder geval niet boos. Ze geeft het op en slaat de doeken van zich af.

"Was je van plan om de hele weg daar te blijven zitten of kom je liever voorin?"

Hè? Oké, dat verwachtte ze niet. "Breng je me niet terug?"

Hij zucht en zwijgt twee tellen, voordat hij antwoord: "Je moeder zal me wat aandoen, maar nee. Ik rij niet terug. Deze zaak heeft nogal haast en eerlijk gezegd ben ik wel blij dat je er bent."

"Echt?" Ze staat op en klopt wat zand van zich af, dan loopt ze naar de uitgang en springt op de grond. Het boek in de voering van haar jas klapt tegen haar been.

Bewaard Lees dit verhaal GRATIS!