Hoofdstuk 9

5K 412 161

Hoofdstuk 9 – Genesis

Zij aan zij draafden de twee jongeren de straten van Novarum door. De zon zakte steeds lager aan de hemel en zorgde voor een bloedrode gloed die zich uitstrekte over het plein en schaduwen deed verschijnen die zich achter hen aan haasten.

De paarden rolden met hun spieren, briesten naar omstanders en ontblootten hun tanden zodat mensen snel uit de weg gingen voor de kleine escorte.

Genesis voelde haar hart bonzen in haar keel. Ze omklemde de leidsels van Nebula zo stevig dat het leer in haar handpalmen sneed, maar het lukte haar niet om ze losser vast te houden. Haar hele lijf was gespannen door de nervositeit die haar in zijn greep hield.

Nog nooit was ze er alleen op uitgetrokken. Goed, ze had Syren bij zich, maar buiten hem stond ze er alleen voor.

Het was jaren geleden dat ze voor het laatst verder dan de stadspoorten van Novarum was geweest en dat moment wilde ze zich liever niet herinneren, al sijpelden de gebeurtenissen als water haar brein weer binnen.

Genesis herinnerde zich hoe de slavenhandelaars haar hadden weggetrokken van haar broer, die doodziek in zijn wollen deken had gelegen. Hij had zijn hand naar haar uitgestoken en geschreeuwd dat ze haar moesten loslaten.

Eén van de mannen had gelachen. 'Jongen, je bent zo goed als dood. Wij zorgen wel voor haar.'

Genesis had gegild en gehuild toen ze haar als een zandzak over hun schouders hadden gegooid. Ze had ze zelf proberen te krabben, maar de mannen waren te sterk. Ze herinnerde zich nog goed de stank van sigaretten en bier die om hen heen had gehangen. Ze hadden haar broer een laatste trap verkocht en gezegd dat hij niet mee kon, omdat hij hen alleen maar een last zou zijn.

Hij kon beter hier sterven, dan onderweg.

Machteloos had Genesis moeten toezien hoe haar broer alleen achterbleef terwijl zij werd meegenomen door vreemde mannen die haar polsen aan elkaar bonden en haar als een beest behandelden. Uiteindelijk was ze door deze poorten naar binnen gesleept en op de markt geveild als een goed.

Graaf Henricus had haar gekocht en vanaf toen was ze nooit meer buiten deze smeedijzeren poorten geweest.

Genesis voelde tranen prikken in haar ogen en veegde ze ruw weg, zodat Syren het niet zou merken. Het had geen zin om te rouwen om het verleden. Ze zou moeten rouwen om het nu – om alles dat mensen nu moesten doorstaan.

Haar keel zat dicht toen Syren zijn paard vertraagde bij de stadsrand. Genesis deed hetzelfde en liet haar ogen over de poort glijden. Die was dicht.

Fronsend reden ze verder en kwamen tot stilstand bij de wachtpost. Syren schraapte zijn keel en probeerde tegelijk Solum rustig te houden. De hengst danste opgewonden onder hem en schraapte met zijn hoeven over de stenen waardoor een onaards gekras werd geproduceerd.

'Hallo!'

Er kwam een tijd geen antwoord. Toen verscheen er een verveelde wachter die hen onderzoekend in zich opnam. 'Wat moeten jullie?'

Genesis zag hoe Syrens kaak zich spande. 'Wij moeten door. Zou u zo vriendelijk willen zijn om de poort te openen?'

'Ze is net dicht,' mompelde de wachter en krabde in zijn zilvergrijze baard waarin een nest van etensresten te zien was. Genesis voelde gal oprijzen in haar keel en wendde haar blik snel af.

'Het is al laat,' ging de wachter verder. 'De poort hoort gesloten te zijn én te blijven.'

Syrens ongeduld steeg en hij bracht Solum recht voor de wachter tot stilstand. Het paard brieste nijdig en legde zijn oren plat in de nek. 'Wij moeten naar buiten,' antwoordde Syren met beheerste stem en zijn paarse ogen kleurden een tint donkerder. 'Het is van levensbelang.'

NOX - De BegaafdenLees dit verhaal GRATIS!