Er was eens een parasiet en een olifant. De parasiet was een meisje. De olifant was een bestuur. De parasiet wist dat de olifant slecht was voor de rest van de wereld, dus wilde het hem vernietigen. Maar toen de parasiet het voor elkaar gekregen had dat de olifant ten onder ging, zou het zelf mee moeten gaan. De parasiet was een ziek meisje, de olifant een fout bestuur. Het bestuur ging ten onder. Het meisje ging mee.

'Sam?' Wouter pakt mijn hand. 'Sammy!' Wouter is vertrouwen, hij is geluk, hij is een verhaal op zich. Verhalen. Zo veel verhalen. Nee, het zijn geen verhalen, het zijn herinneringen. Dagen in het park, de warme gloed van de zomerzon, het gekietel van zijn haren in mijn neus. Wouter. Mijn broer. Ik knijp in zijn hand en probeer mijn ogen te openen. Pijn, licht, te fel. Ik hou ze dicht.

'Wouter,' fluister ik. Mijn stem klinkt gebroken, hol, vernietigd. 'Wouter, vertel me een verhaal van vroeger.'

'Goed.' Ik hoor dat hij huilt. Ik wil ook huilen. Te moe. Teveel energie. 'De dag van jou vijfde verjaardag, besloten mam en pap dat ze het hele huis wilde versieren in een prinsessenstijl en wij moesten allemaal van die belachelijke kleding aan om jou te verassen. We hadden al je vriendinnetjes van de school uitgenodigd en iedereen kreeg een prinsessenjurk en toen je thuiskwam - je was bij opa wezen logeren - vond je op de trap je eerste cadeautje. Zonder er over na te denken rukte je het pakketje open en vond je daar de mooiste jurk die ik ooit iemand heb zien dragen. Meteen besloot je om hem aan te trekken en daarna liep je pas de woonkamer in. Het was geweldig om je gezicht te zien toen de deur openging en je iedereen zo mooi zag in alle prinsessenkleding en met je prinsessentaart. Mam besloot dat het leuk was om je te kronen, dus meteen nadat je Elise had geknuffeld en hallo had gezegd tegen iedereen, zette pap je op de stoel en kwam ik aan zetten met de enorme kroon die we hadden gekocht en die van echt zilver was. Ik mocht hem op je hoofd zetten, terwijl Louis ze hand vasthad en mam en pap maakten foto's. Die dag, het was een van de beste dagen uit je leven.'

Ik val weg in een zee van herinneringen en kronen en hoor de volgende woorden die hij zegt, de verhalen die hij vertelt, ik hoor ze niet. Ik zal ze niet meer horen. Nooit.

Julliet aait door mijn haar, plant een zoen op mijn hoofd en fluistert me wat bemoedigende woorden toe. Mijn ogen zijn open, ik kan vage dingen zien, hoogtepunten van haar uiterlijk. Ze lijkt op hem, haar haar heeft dezelfde kleur, haar ogen dezelfde glinstering, haar stem dezelfde manier waarop het beweegt. 'Ik ga je missen,' fluistert ze. 'Ik mis hem.' Dan is ze weg, hoewel ze haar tranen op mijn voorhoofd achterlaat.

'Sam.' Het is Louis. Zijn jonge gezicht hangt boven de mijne en zijn vingers zijn verstrengeld met die van mij. 'Sam, het is bijna voorbij. Je gaat het niet meer halen voordat ze het medicijn hebben.' Tranen glinsteren ergens ver weg en ik weet niet waar ze zijn, maar ze branden op mijn netvlies, versieren mijn laatste herinneringen.

'Het komt goed,' fluister ik en ik glimlach zijn richting op.

Louis lacht en zij lach voelt zo sterk en zo droevig tegelijkertijd dat het voelt alsof er een mes door mijn hart wordt gestoken terwijl ik in een bloemetjesveld lig. 'Voor jou wel ja,' fluistert hij tegen mijn oor aan. 'Ik zal hier achter worden gelaten met een chagrijnige broer die probeert een goed leidingsysteem uit te vinden en een droevige Julliet die alleen mij nog maar heeft, dus alleen maar rond mij heen zal hangen.'

'Dat klinkt niet zo slecht,' grinnik ik. Het gelach verscheurt me.

'Je klinkt alsof je een dood paard bent.'

'Hm, dat ligt niet zo ver van de omschrijving.'

'Zo meteen ben je een dode Sam,' fluistert hij en hij laat zijn vingers over mijn handpalm glijden.

'Louis, je moet me wat beloven,' zeg ik op een zachte toon. 'Je moet me beloven dat je je leven gaat lijden en gewoon mij vergeet, of mij niet vergeet, maar in ieder geval jouw leven laat gaan. Je moet met meisjes zoenen, hun harten breken, geweldige dingen uitvinden, vrienden maken, Wouter pesten en alle dingen doen die je ook zou doen als ik er wel was geweest.'

'Ik weet niet of ik dat wel zal kunnen doen.' Hij probeert mijn blik te vangen maar ik ben al weer te ver weg.

'Beloof het me?'

'Goed dan.' En dan ben ik weg.

'Hé Sam.' Het is Gerco. Ik frons.

'Gerco?' Mijn stem vernietigt mijn eigen gehoor.

'Sam, hou je taai oké?'

'Jij ook, Gerco.'

'Mooi zo.'

Ik val weer weg.

Lippen op die van mij, een vaag geluk van het pijnloze moment. Mijn ogen openen. 'Samantha.' Het is een fluistering zo zacht als de wind. 'Sam.' Ik open mijn ogen, hoewel ik zou willen blijven leven in dit nietszeggende zwart.

'Ares...' Ik glimlach naar de jongen voor me en laat mijn hand naar zijn gezicht rijken.

'Ben je klaar?' vraagt hij en hij pakt mijn hand vast, terwijl hij me omhoog helpt. Om me heen zie ik mijn vrienden en familie, de mensen die ik nog over heb. Ze staan om me heen, houden mijn hand vast en kijken me na terwijl ik mijn laatste adem neem.

'Ik ben klaar,' mompel ik en ik kijk hem recht aan. 'Ik ben er klaar voor.'

4

VirusLees dit verhaal GRATIS!