Jezus jezus jezus ('Jezus kan er niets aan doen,' zegt m'n moeder) maar jezus, wat is het lang geleden dat ik dit verhaal heb geupdate. Het spijt me ontzettend jongens, ik weet dat veel mensen moeten zijn afgehaakt, maar goed, ik heb het een na laatste hoofdstuk voor jullie. Enjoy, hoeverre dat kan.

Met een lege uitdrukking op mijn gezicht loop ik naast Gerco richting de bunker die mij is toegewezen. Het ligt in een straatje tussen de magazijnen in en ik weet zeker dat niemand de rebellen er ooit van zou verdenken om hier hun thuisbasis neer te leggen. Ik weet niet hoe het vandaag verlopen is in het slagveld, of we gewonnen hebben of niet. Ook weet ik niet wat we daar deden en waarom we daar waren. Het enige wat ik me nog kan bedenken is dat ik mijn vrienden heb vermoord.

En dan is dat ook weg.

Ik loop naar de bunker toe en klop op de deur. Mijn broer duwt de plaat ijzer open en ik val in zijn armen. Hij knuffelt me niet terug en op dat moment besef ik me dat het gedaan is. Ik ben ziek. Ik zal niemand aanraken, niemand zal in mijn buurt komen.

Ik ben ziek en ik zal doodgaan.

'Hey,' zeg ik dus maar en ik loop achter hem aan de bunker in. Zonder dat iemand het me verteld, is het duidelijk dat het niet geoorloofd is als ik bij de rest ga zitten. Ze zijn bang voor me, wat logisch is. Ik had waarschijnlijk Ares ook al geïnfecteerd. Ares, zijn naam ligt bitter op mijn tong. Ik probeer het witte lichaam dat ik heb achtergelaten in het steegje te vergeten, maar dat maakt me juist meer aan hem denken. Toch, uiteindelijk zal ik hem vergeten, uiteindelijk zal ik ook Ben vergeten en zelfs mijn broers en ouders. Nu lijkt dit deel van de ziekte opeens een voordeel.

'Hé,' zegt Wouter en hij kijkt me bezorgd aan. 'Hoe gaat het?' Zijn blik is beangstigend, ik hou niet van de intensiteit waarmee hij naar me kijkt, dus knik ik maar een beetje en probeer ik hem te ontlopen. 'We hebben een kamer voor je vrijgelaten, dus daar kan je blijven. Louis zal vast nog wel langs willen komen, maar ik weet niet of ze dat toelaten.'

'Hou toch op met zeiken,' mompel ik. 'Laat hem niet langs komen, of wel, weet ik veel. Het maakt me allemaal niet meer uit. Ik ga toch dood binnen nu en een aantal weken of maar dagen.'

'Dat weet je niet,' fluistert Wouter, lichtelijk geschokt door mijn uitbarsting. 'Misschien hebben we tegen die tijd wel een medicijn.'

Ik rol met mijn ogen. 'Ja, ja. Blijf maar geloven in het goede. Het is onzin. Ik ga dood en of ik nou de laatste ben of niet, het zal gebeuren. Zijn er al mensen binnen in het Brein?'

'Ja,' zegt Wouter en ik zie de opluchting van het veranderen van onderwerp over zijn gezicht glijden. 'Er zijn mensen aangenomen en die zitten nu vanuit binnenuit het bestuur te vernietigen.'

'Mooi zo,' zeg ik. 'Hoe lang gaat het nog duren?'

'Gerco heeft een aantal aanvallen gepland voor morgen,' legt Wouter me uit, terwijl hij me een kleine cabine met een armoedig bed en een emmer water laat zien, als mijn kamer. 'Hij denkt dat we de hoofdstad binnen nu en een week in handen moeten hebben.'

'Dat is wel heel ambitieus,' zeg ik en ik ga op mijn bed zitten, terwijl de vermoeidheid mijn lichaam overneemt. 'Ik neem aan dat ik niet mag vechten, voor het geval dat ik elke soldaat aansteek.' Wouter kijkt weg, maar ik zie hem knikken. 'Goed dan, ga dan maar weg. O, en als er nieuws is, laat het me dan maar weten.'

Hij kijkt me even bedroefd aan, draait zich dan om, maar bedenkt zich. 'Sam, wat is er met Ares en Ben gebeurd in het steegje?' vraagt hij op een onheilspellende toon.

Ik kijk hem even geschokt aan, verman me dan en kijk hem recht aan. 'Ik heb ze vermoord,' zeg ik. Wouter neemt een stap naar achteren en snelt dan de kamer uit. Mooi zo, denk ik sarcastisch, nog iemand die ik nooit meer terug zal zien.

VirusLees dit verhaal GRATIS!