18

342 36 23

Ook dit hoofdstuk is een beetje te laat, sorry! Ik hoop dat jullie er alsnog van genieten. xx


Ik sta op, bang voor mijn eigen reactie, bang voor Ares' reactie. 'Ze wist het,' zegt hij met een trillende stem en ik zie dezelfde angst in zijn angst. 'Ik heb iemand vermoord.' Het is een fluistering, een meningvolle ademhaling met geluid. Ik kijk hem aan, echt aan, en ik probeer te bedenken wat er in hem omgaat, waarom hij het werkelijk heeft gedaan. 'Ze wist het, Samantha,' zegt hij nu, harder op en ik zie de tranen oplichten in zijn ogen. Ik schud mijn hoofd en wend mijn ogen af van de moordenaar die mijn vriendin heeft vermoord. En Justus, natuurlijk, hij heeft ook Justus vermoord. Hoewel Justus er om vroeg en hoewel Lianne het er mee eens was, hij heeft hem wel gedood. Ik draai me om naar Lianne's lijk en zoek naar een telefoon, die ik uiteindelijk vind in een broekzak. Ik ontgrendel het scherm met het bloed van het meisje dat ik bevriend heb, iets wat dodelijk is onder de omstandigheden waarin we ons bevinden. Ze zou ons opmerken en een vlaag van schuld vliegt door mijn lichaam. Ik ben de reden dat ze dood is. De tranen vallen over mijn wangen en haar lijk wordt bedekt met de tastbare vorm van mijn verdriet. Met mijn ogen op haar telefoon gericht, want ik kan me niet veroorloven naar haar gezicht te kijken. Ik sta daar maar, met een mond vol tanden naar iemand te kijken, waarvan ik altijd heb getwijfeld of ze een vriendin was. Natuurlijk was ze wel een vriendin, zij was een vriendin voor mij, want zij loog niet, zij was werkelijk waar. Mijn hele bestaan was in haar ogen een leugen. Ik besta niet meer, alles wat ik ooit ben geweest is een leugen. Mijn uiterlijk is een leugen, mijn naam, mijn verhaal – alles waaruit ik besta, is niet van mij.

Ares draait zich van me weg en kijkt uit het raam, maar uit de hartverscheurende snikken weet ik dat ook hij aan het huilen is. Als ik aan zijn verdriet denk, dan wil ik gillen, dan wil ik rennen en huilen, nog harder dan menselijk mogelijk is. Hij heeft iemand vermoord. Ik weet dat het uiteindelijk er wel op aan zou komen. Ik vermoord zo veel mensen, met alleen mijn aanwezigheid. Ik bijt op mijn lip en probeer de tranen in controle te houden. Dit alles is een fout, ik ben een meisje van zestien, ik hoor niet zo veel mensen te moeten doodden. Waarom ben ik zo woest op Ares voor het vermoorden van Lianne en Justus, als ik het uiteindelijk ook wel gedaan zou hebben, alleen al omdat ze me aanraakt om te vragen of ik meega naar haar huis. Alleen al omdat ze om een pen vraagt. Met elk woord dat ik tegen haar zou hebben gezegd, zou ik het hebben geriskeerd. Ik vermoord iedereen die om me heen staat.

'Ares,' zeg ik en hij draait om, hoewel ik zou denken dat het onmogelijk was dat hij me heeft gehoord. 'Ga weg, Ares,' fluister ik. 'Ga weg.' Hij valt neer, zijn hoofd op zijn knieën. Tranen van verdriet, van schaamte vallen op de grond. Ik sta op, met de telefoon in mijn handen en ga op zoek naar iets op Lianne's lichaam dat ze zou willen hebben om aan herinnert te worden. Dan zie ik de ketting, waar haar naam en die van Justus op staat. Ik haal hem liefdevol van haar hals af en sluit dan haar ogen met een lichte aanraking van mijn vingers, bang voor wat ik met haar zou doen als mijn vingers te hard over haar oogleden glijden. Hetzelfde doe ik bij Justus, die dezelfde ketting om zijn hals heeft hangen. Zijn lichaam duw ik naar die van Lianne en ik verstrengel hun handen. Dan haal ik ook zijn draagbare telefoon uit zijn zak en duw de kettingen in mijn zak. Zonder nog een blik op Ares te werpen, loop ik het appartement binnen en doe hem op slot. Een veeg bloed achterlatend op het sleutelgat. Mijn ademhaling verlaat trillend mijn mond als ik me besef wat er gebeurd is. Ik zal haar nooit meer zien, zal nooit weten hoe het zou zijn als ze niet vermoord was door iemand die ik met zoveel liefde koester.

Al huilend vind ik mijn weg naar de bank, een spoor van bloed achterlatend. Bloed dat niet van mij is. Dan ontgrendel ik de telefoon van Lianne opnieuw. Haar achtergrond is een foto met mij en Justus die ze in de pauze heeft gemaakt en een paar extra tranen vallen op het oplichtende beeldscherm. Een levende herinnering dat ik in mijn handen houd. Het elektrische apparaat is nog maar voor de helft opgeladen, maar ik weet niet wat dat over mijn tijd zegt. Ik hoor Ares' voetstappen op de gang. Hij loopt weg, ik weet niet waar naartoe, maar daar heb ik ook geen interesse meer in, vertel ik mezelf. Ik open het icoontje dat me haar sms'jes laat zien. Het laatste uur heeft ze ge-sms't met Justus en haar vader. Die laatste om te laten weten waar ze was, Justus, weet ik niet. Ik ben bang om hun sms'jes te lezen, om te kijken hoe hij hier kwam, maar ik doe het wel.

Help me Jus, neem een wapen mee. Je bent niet zo ver. Kom naar Sam. En daarna is er een adres doorgestuurd. Ik kijk naar de computer en start hem op om op te zoeken waar Justus woont en hoe dichtbij dat wel niet is bij mijn huis. Hoe dicht bij zijn ouders zijn bij het lijk. Tot mijn verbazing en mijn schrik, woont zijn familie in hetzelfde appartementenblok als wij. Daarom was hij er zo snel. Justus sms'te terug dat hij er aan zou komen en dat hij een keukenmes mee had. Ik weet niet waar dat mes was toen hij binnen strompelde. Ik open ook zijn telefoon en kijk naar wie ze gebeld hebben. Justus heeft niemand meer gebeld, sinds dat hij door Lianne werd ge-sms't. Lianne daarentegen wel. Ze heeft het alarmnummer gebeld. Mijn ogen openen zich groot en ik grijp meteen naar mijn rennerstas. Ik ben al bij de keuken voordat ik het weet en laad de tas vol met twee literflessen water en een flesje jodium dat we voor de zekerheid altijd in ons appartement hebben. Ik gooi ze in mijn tas en duw het dan vol met astronautenvoedsel. Dan kijk ik naar wapens. Ik pak een pistool, een paar van de pilletjes die je gevoel weghalen en doe kleren aan waarin ik goed kan rennen; mijn Jaagkleren. Verder duw ik nog een dikke trui in mijn tas en dan ben ik klaar. Ik gris mijn leren jasje nog van het haakje en ontgrendel de deur. Meteen ren ik de deur uit, het appartementencomplex uit en de straat op.

Ik hoor de sirenes al aankomen en het verbaasd me dat ze niet eerder zijn gekomen. Meteen neem ik plaats in een dun laantje waar auto's niet in kunnen komen. Ik volg het, totdat ik weet op een grote straat kom. Dan besef ik me dat ik voor een korte tijd een schuilplaats moet vinden om  de Titaan te informeren van wat er allemaal is gebeurd. Ik schiet snel weer in een klein steegje, als de politieauto's, samen met een ambulance, de straat binnenvallen. Ik ren net zo lang door, totdat ik een lege prullenbak vind, waarin ik me verberg. Het ruikt er dan wel verschrikkelijk, maar hij is leeg en het is een prima schuilplek.

Ik haal de hanger waarmee ik kan communiceren van mijn hals en zet hem aan. Ik merk dat er meteen een verbinding is, dus dat er iemand in de Titaan is, die mijn bericht meteen zal horen. 'Sam!' hoor ik Louis' stem. Ik zucht van opluchting, maar dan merk ik de paniek in zijn stem. 'De Titaan heeft opeens veel bondgenoten gekregen en ze hebben een sterk leger kunnen vormen. Ze zijn nu richting Indiana Polis aan het rennen om de eerste aanval te plegen, aangezien Ares net nog een opstand gemeld heeft. Ze moeten er ondertussen wel zijn.'

'Ares?' vraag ik me hardop af. 'Hoe komt hij aan een communicatiemiddel?' Ik hoor een stilte en dan legt Louis me uit hoe ze hem een knopje hebben gegeven om opstanden te meldden. Uit die melding, die alleen een bliepje geeft, kunnen ze dan opmerken waar hij is en waar dus de opstand moet zijn. De paniek grijp naar mijn keel. 'Louis, er is iets ergs gebeurd. De ziekte versnelt en de fasen komen in een onlogische volgorde. Fase twee is al begonnen en nog niet alle symptomen uit fase één zijn gekomen. Binnenkort moet fase drie wel beginnen, het kan niet anders. Alles gaat sneller dan verwacht. En dan is er nog wat. Ares heeft Lianne en Justus vermoord, twee kinderen bij mij uit de klas. Lianne was er achter gekomen en Ares heeft haar toen neergeschoten. Justus vroeg of hij hem ook wilde vermoordden, want hij kon niet zonder haar. Lianne heeft echter voordat ze vermoord werd, de politie gebeld en die komen nu naar ons appartement. De missie is op het punt van falen.'

Er is een moment van stilte en ik hoor geroezemoes, waardoor ik weet dat hij de informatie doorgeeft aan de anderen. Dat is wanneer ik de schoten hoor. Er is dus wel werkelijk een aanval, binnen mijn gehoorafstand. Als ik de Titaan ken op het level waarvan ik denk dat ik ze ken, moeten ze een belangrijk gebouw aanvallen. Het enige gebouw waarvan ik kan denken dat zo dichtbij is dat ik de geweerschoten hier kan horen, is de school. Ik kijk op mijn horloge. Er zitten nog mensen in de school.

'Louis, de aanval is begonnen, ik moet gaan.' Ik spring uit de container, waarbij ik een kat van de deksel laat vliegen en ren de straten door. Ik hoor hem tegensputteren en dan zegt hij dat ik moet gaan en dat hij me succes wenst. 'Dankjewel,' fluister ik. 'Louis, we zien elkaar nog, we zien elkaar snel weer. Ik hou van je, zeg dat ook tegen Wouter.' Ik hoor mijn eigen stem trillen. Dan doe ik de ketting weer om mijn nek en ren ik door naar de school. Meteen als ik daar aankom, zie ik wat er aan de hand is.

Er zijn veel meer mensen dan ik ooit zou kunnen dromen en ik voel meteen het vechtersgevoel terugkomen. Dit moeten wel de Wezen en de Zwervers beiden zijn en dan zijn het nog steeds niet zo veel mensen. Ik grijp mijn pistool uit mijn tas en kijk nog een keer naar de grote menigte voor me. Er mogen dan wel veel mensen in het schoolgebouw zitten, maar dit is het begin van de revolutie. Met dat in mijn gedachten, ren ik de menigte in.

VirusLees dit verhaal GRATIS!