De volgende week liep ik met de nagellak op mijn nagels geverfd door de gangen van de moderne school. Lianne complimenteerde me erop en ik kreeg er een verdrietige glimlach van op mijn gezicht, die zij niet zo opmerkte als dat ik dat deed. Ares had niet tegen me gesproken toen ik vol paniek naar huis was gerend. Hij had me alleen de nagellak aangereikt en was toen naar zijn kamer gerend. Hij heeft gehuild, ik weet dat, maar ik weet niet of ik erover moet beginnen. Waarschijnlijk zou hij dat ongemakkelijk vinden en ik irriteer me toch al zo aan zijn gedrag, dus het veel erger maken, lijkt me nou ook niet zo'n goed plan.

Gerco leek gemixte gevoelens over deze vooruitgang te hebben. Hij was blij dat de ziekte was aangeslagen en dat ik hem kon overgeven aan de mensen in de stad, maar hij wenste me wel sterkte ermee en klonk droevig. Ergens begrijp ik het wel; ik ken hem nu al zo lang dat hij een vriend is geworden, een stille, dat wel, een vriend die ik weinig heb opgemerkt, maar hij was het wel. Het moet ook voor hem moeilijk zijn om te beseffen dat ik zal sterven, binnen een korte tijd.

Ik heb om Wouter gevraagd, niet om Louis. Ik kon het niet over mijn hart verkrijgen om hem dit nieuws te vertellen. Vaak denk ik terug aan de nacht in de straten, de eerste nacht in de stad. Mijn droom heeft een heleboel impact gehad in mijn doen en laten van vandaag en de dagen daarvoor en daarna.

Lianne is daarentegen een grote steun. Ze weet dan wel niet wat er aan de hand is met mij en ik ben ook niet van plan het haar te vertellen, maar ze begint steeds meer een vriendin van me te worden en de tijden dat we samen praten, leiden me van het hele doodgaan af. Soms ga ik na schooltijd voor een korte tijd naar haar toe. Het voelt ook slecht om bij haar in de buurt te zijn, omdat ik haar ongemerkt inent met de ziekte. Toch, dit zal de vooruitgang van de opstand versnellen. Ze komt echter nooit bij mij thuis, hoe erg ze soms ook wel aandringt. Ik weet niet hoe Ares reageert op zoiets en een deel van mij wil dat ook niet weten.

De bel gaat en het geeft aan dat mijn laatste les van die dag is afgelopen. Ik loop samen met Lianne naar buiten. Ze vraagt me of we af gaan spreken vandaag en als ik zeg dat ik wel kan, vraagt ze of het bij mij mag, want het kan nou eenmaal vandaag niet bij haar. Een angst grijpt naar mijn keel als ik denk aan Ares gezicht als hij Lianne ontmoet. Niet dat hij haar niet zou mogen in een normale omgeving, maar omdat hij bang is dat ik het haar zal vertellen en dat zij de hele wereld het zal vertellen. Dan zijn we dood, en niet alleen wij, maar de hele opstand en iedereen die eraan heeft meegewerkt.

Plots voel ik de jeuk in mijn handpalmen en de handen van de angst die al om mijn keel liggen, verstrakken. Ik stamel een antwoord en besef me pas later dat ik heb toegestemd. De fases komen sneller dan ik verwacht had, dan wat iedereen verwacht had. Ik zit nu al in het tweede deel van de eerste fase, na ongeveer twee weken van de ziekte gehad hebben. Ik hoor nu ongeveer nog niet eens aan het eerste deel van de eerste fase begonnen te zijn en nu zit ik al in het tweede deel.

Lianne lijkt niets van mijn angst en verwarring te merken en loopt trouw achter me aan naar mijn huis, terwijl ze door kibbelt over haar vriendje, Justus. Ik lach wat mee, praat een beetje, maar mijn hand sluit zich ongemerkt om het medaillon rondom mijn hals en ik weet dat ik het moet vertellen aan de mensen in de Titaan. Niemand had gedacht dat het zo snel zou gaan. Ik voel het koude metaal tegen mijn handpalm aan, maar het kalmeert de jeuk niet. Ik bijt op mijn lip en weerhoud mezelf ervan te krabben. Ik moet dit toch kunnen onderdrukken, er is geen andere uitgang.

'Hé, Sam, gaat het wel?' hoor ik Lianne vragen en ik knik glimlachend, hoewel ik haar alles behalve dat wil antwoorden. Ik wil haar vertellen wat er werkelijk aan de hand is, maar dat mag niet, dat kan niet. Ik denk aan alle slechte dingen die het Bestuur heeft gedaan; de reden dat ik deze dingen doe. Binnen een tiental minuten komen we bij mijn appartement aan en ik ontgrendel het slot, zodat we binnen kunnen lopen. Voordat ik Lianne aan Ares laat zien, roep ik zijn naam door het huis heen. Hij antwoord met een kille 'ja'.

'Ik heb iemand meegenomen,' zeg ik en ik krimp ineen terwijl ik wacht op zijn reactie. De enige reden dat ik verder loop, is omdat hij geen antwoord geeft. Lianne volgt mijn voorbeeld en we lopen door naar de woonkamer. Ares zit op de bank, een boek in zijn hand. Het moet een oud boek zijn, want de voorkant is vervaagd, zo erg dat ik niet kan opmerken waar het boek over gaat. 'Dus, dit is Lianne,' zeg ik en ik wijs naar Lianne, 'ik ken haar van school.' Zijn gezichtsuitdrukking verandert als hij zijn blik op Lianne laat vallen, die beleefd haar hand uitsteekt. Ares negeert hem en kijkt mij met zijn wenkbrauwen hoog aan. 'Sorry,' fluister ik Lianne toe. 'Dit is Ares,' leg ik uit, 'hij is mijn, eh...'

'Broer,' antwoordt Ares en hij kijkt mij opnieuw aan. 'Sam, kan ik met jou praten?' Hij wijst met zijn ogen naar mijn slaapkamer en ik knik, hoewel ik het haat dat ik Lianne zo alleen achter moet laten in dit vreemde huis. Ik verontschuldig me dus nog een keer en word dan mee getrokken door mijn zoverwoorde 'broer'. 'Wat dacht je wel niet?' sist Ares als we de kamer binnen zijn gekomen. 'We zijn hier niet om vrienden te maken, Samantha! We zijn hier om een rebelse opstand in stand te zetten. Wat was je in vredesnaam van plan om met dit kind te doen?'

Ik vloek luid. 'Ares, in vredesnaam, doe eens even normaal. Het is niet alsof ik haar heb verteld dat ik volgepompt zit met virussen die me in een aantal maanden zullen doden. Bovendien heb ik aan jou ook niet echt veel als een vriend hè!'

'Sam, doe rustig.' Ares stapt dichter naar me toe. 'Het is niet alsof ik veel keus heb. Ik dacht dat het misschien beter was om afstand van je te nemen.'

'Dit is geen afstand nemen!' schreeuw ik en ik schrik van mijn eigen woede. 'Je doet alsof ik al lang dood ben. Dat is wel het laatste wat ik nodig heb momenteel. Ja, natuurlijk het is voor jou beter om al afstand van me te nemen, zodat het zo meteen minder hard aankomt als ik wel dood ben. Je bent een egoïstische kwal jij. En die hoofdpijn komt ook al niet uit mijn hoofd.' Ik vloek opnieuw.

'O god, nee,' fluistert Ares. 'Sam, geef me je medaillon.' Ik kijk hem woedend aan en smijt het metalen ding tegen zijn borst aan. Hij pakt het van de grond op en zet het tegen zijn mond aan. 'Noodgeval, fase twee is begonnen. Ik herhaal: fase twee is begonnen.' Dan legt hij het ding alvast neer. 'Sam, dit is de ziekte die tegen je spreekt,' zegt hij en hij pakt een van mijn handen vast. 'Kan je je de fases nog herinneren? Weet je nog wat fase twee inhoud?' Ik schud mijn hoofd en de tranen vallen over mijn wangen heen. 'Fase twee, hoofdpijn, niet slapen, beledigen van de mensen om je heen. Sam, is de eerste fase al helemaal afgesloten?'

'Nee,' fluister ik en het besef komt plots in me op dat ik misschien wel niet maanden heb, maar weken. De fases komen veel te snel achter elkaar. 'Ik heb de bloedingen gehad en de jeuk, maar nog geen irritatie aan mijn ogen. Hoe kan dat Ares.' Dan begin ik pas echt te huilen en de jongen voor me kijkt me moedeloos aan, wanhopig probeert hij me te omhelzen, maar ik duw hem van me af, bang wat het virus met hem kan doen, wat het virus met mij zal doen. 'Ik ben bang,' fluister ik en dan hoor ik de voetstappen pas. Lianne, ik was haar helemaal vergeten in de ruzie met Ares. Ik sla de deur open en ren achter haar aan, op de hielen gevolgd door Ares. De kloppende hoofdpijn tegen mijn schedel wordt erger met elke stap die ik neem en ik hou het bijna niet vol. Ares haalt me in en hij wacht niet op me, waar ik blij mee ben.

Ik hoor een gil en ren er naartoe. Ik zie nog net hoe Ares zijn pistool trekt, hoe Justus de gang op komt rennen en hoe Lianne een smeekbede over haar lippen laat glijden. Dan laat Ares de kogel vliegen. Hij kan niet missen, na zo veel trainingen kan het niet. De kogel raakt Lianne in haar borst en ik vlieg naar haar toe, terwijl Justus op Ares afvliegt. Een heleboel scheldwoorden glippen door de kamer en dan hoor ik Justus zeggen.

'Goed dan, als je haar doodt, doodt mij dan ook.' Hij houd zijn handen omhoog en ik zie dat Ares twijfelt. 'Alsjeblieft.' Dan keert hij zich naar Lianne. 'Ik hou van je.' Het laatste wat ik zie voordat ik mijn ogen op Lianne laat vallen, is hoe Justus voor Ares neervalt, als een lijk zonder ziel.

'Sam,' kraakt Lianne, 'Sam, is hij dood? Is Justus dood?' Ik knik en voel mijn ogen prikken van de tranen. 'Goed zo...' fluistert ze, 'zo wilden we altijd sterven, samen voor altijd.' Ze draait met haar laatste krachten haar gezicht naar het lijk van Justus en glimlacht. 'Komen we ten minste samen met in de hemel.' Ze laat haar bebloede hand op een ketting vallen en ik zie dat het hun namen bevat. En dan is ze weg.




Applaus voor de liefde van Lianus; ze hebben me geholpen met hun fantastische laatste woorden. Dus, het hoofdstuk is een beetje laat, maar hij is er wel (sorry voor het late gedeelte).

xx

VirusLees dit verhaal GRATIS!