15

434 43 26

Oh mensen, sla mij alstublieft. Ja, ik ben ontiegelijk slecht in op tijd updaten. Over tien hoofdstukken en een epiloog is dit verhaal ook voorbij. Wat gaat de tijd toch snel. Ik ben bij deze benoemd tot een slechte wattpadder, maar goed, ik hou jullie niet langer meer van dit hoofdstuk af. Veel leesplezier, voor hoeverre je het plezier kan noemen in dit hoofdstuk... TAMTAMTAM...


Ares en ik besluiten die avond in de open straten van de stad te slapen. We beseffen ons namelijk maar al te goed hoe raar het zou zijn om zo aan te komen in ons appartement. We zwerven wat rond de straten, kijken om ons heen en proberen een goede schuilplek te vinden. De straten zijn vervuild. Overal ligt afval van mensen die zonder twee keer over na te denken het op het betrapte steen gooien. Het steen waar miljoenen mensen al hun voeten op gezet hebben. Ik heb genoeg om naar te kijken, naar de bakstenen die begroeid zijn met mos, of de plotselinge verdwijning van de sterren door de overduidelijke smog die hier hangt, of de hypermoderne automobielen die hier rond hangen, maar ik kijk alleen maar naar Ares' rug en hoe zijn spieren bewegen, terwijl hij door de straten en steegjes manoeuvreert.

We gaan uiteindelijk diep weggestopt in een steegje liggen. Ares geeft me wat eten van wat de zieken ons hebben meegegeven en neemt dan ook zelf wat, wat ik erg fijn vindt. Ik houd er niet van om te eten in het bijzijn van mensen die niet eten of niet kunnen eten. We eten in een stilzwijgen het eten op en kijken om ons heen, alsof er na een kwartier meer te zien is dan de eeuwig doorlopende bakstenen en de grijze, donkere lucht en de stenen waarop we zitten. Toch kijken we daarnaar, niet naar elkaar en wisselen we geen woorden, hoewel er zoveel te zeggen is. Het is ons gelukt. We zitten in de stad, hoewel ik ziek ben. De eerste stap is gelukt.

Er is geen overwinningsgevoel, maar het is ook niet echt een overwinning. Met elke stap die we zetten, zetten we twee stappen terug, naar mijn gevoel, hoewel dat niet waar is. Het enige wat waar is, is dat we dan twee stappen terug zetten in mijn gezondheid. Het is een keuze die ik heb gemaakt, maar het idee dat ik Louis en Wouter nooit meer terug zal zien, is net zo dodelijk als een kogel. Ik zie hun gezichten voor me en voordat ik weet, val ik in een droom.

Mijn ouders staan voor me. Twee statige mensen. Mijn moeder gekleed in haar zwarte jurk die ik haar maar één keer heb zien dragen, met de begrafenis van mijn oma. Ik heb mijn oma nooit goed gekend, omdat mijn moeder dat niet wilde, maar ik wist wel te huilen. Niet om oma, nee, ik gaf niets om het lichaam of de hand van de dood. Ik moest huilen omdat iedereen moest huilen en het goed voelde om te huilen, hoe goed huilen dan kan voelen. Mijn vader is gekleed in een dokterspak met rode vlekken erop. Ik voel het besef naar mijn keel kruipen. Het verstikt me. De witte ruimte veranderd en ik merk dat ik in een doktersruimte lig, op het bed. Mijn vaders hoofd hangt boven me.

'Kom op schatje,' fluistert hij me in en het is de eerste keer sinds tijden dat ik me zijn stem herinner. Ik huil, ik weet niet hoe ik weet dat ik huil, maar ik weet dat ik huil. 'Je houdt dit vol. We weten hoe we die ziekte uit je moeten krijgen en dan kan je weer gewoon bij ons komen wonen.'

'Waar zijn Wouter en Louis?' hoor ik mijn eigen stem krassen en ik schrik ervan. Plots ben ik niet meer het meisje op de operatietafel, maar ben ik een buitenstaander, niet in staat een verandering te brengen in het schouwspel voor me.

'Wouter en Louis? Wie bedoel je, mijn liefje?' vraagt mijn vader en hij breekt mijn hart. 'Je raaskalt. Komt door de morfine, daardoor ga je raar denken. Vertel me maar wie Wouter en Louis zijn als je wakker wordt.' Daarna draait hij zich om naar zijn collega's. 'Volle narcose, Maria.' Ik zie het hoofd van de zieke vrouw als ze de bevelen van mijn bloedeigen vader opvoert. Ik wil schreeuwen, krijsen dat wat ze ook gaan doen, dat het fout is. Maar ik weet zelf niet meer wat het verschil is, wat nou werkelijk fout is. Ik weet niet of hetgeen wat ik ga doen fout is, of wat men momenteel doet fout is. Ik grijp naar mijn haar, hopend op ene houvast.

VirusLees dit verhaal GRATIS!